Vincent Bijlo
DE OPMARS VAN DE PITJEKOPEMANNETJES
Vroeger liepen er in Amsterdam mannen rond die, als je langs ze liep "hhhssssjjjj" sisten. Dat was in de tijd dat je nog niet op elke straathoek hasj kon krijgen.
Er zijn nu opeens weer van die mannen, maar ze zeggen iets wat we niet verstaan. "Pitjekope, pitjekope…" We zijn benieuwd wat dat is, pitjekope. Een nieuwe drug? Velgenreiniger, industriële verfverdunner, gootsteenontstopper? Ze zijn net zo schichtig als de hhhssssjjjjmannetjes. De pitjekopemannetjes hebben een gebaartje, zegt mijn vrouw, een grappige draaibeweging met de duim en wijsvinger van hun rechterhand.
Als er weer een langs ons loopt, mij aanstoot en pitjekope fluistert, happen we toe. We lopen achter hem aan door smalle steegjes. Er ligt stinkend afval op de grond en hier en daar staan groepjes grimmige zwijgende blowende hangjongeren van allerlei komaf.
In een brandgang staat hij stil. Hij fluit op zijn vingers. Er springt nog een mannetje tevoorschijn. Hij ritselt met een plastic zak. "Okee, pitje," zegt hij. "Goede pitje, jij wilt 100?" Ik begrijp hem niet. "Wat bedoel je met 100, wat 100?"
"100! Pitje 100 wat?"
Hij duwt een doosje in mijn hand. Ik maak het voorzichtig open. Er zit een enorme ampul in, lijkt het wel. Maar hij is heel licht, alsof er niets in zit. "We doen het," fluistert mijn vrouw. Ik hoor hoe ze haar portemonnee pakt. Ze haalt er een bankbiljet uit en overhandigt dat aan de man met de plastic zak. Hij verdwijnt snel. De andere man loopt voor ons uit door de steegjes. "Pitje is peertje," fluistert mijn vrouw, "we hebben een gloeilamp gekocht van 100 watt."