Vincent Bijlo

 

DE DIEREN ZIJN NOG WEL ERG LAAT OP

 

"Hee," zei de vuursalamander tegen de rugstreeppad, "nog wakker?"

"Jaja," ze de rugstreeppad, "het is geen doen. Wat een hitte zeg. Kan je even op mijn rug krabben, mijn strepen jeuken zo."

De vuursalamander likte met zijn vlammetje de rug van de pad. Die kwaakte van genot.

"Wat doen jullie nog zo laat op," zei een haastig voortrennende hazelmuis.

"Hier," zei de vuursalamander, "daar zegt er een wat. En kijk nou toch, daar hebben we ook de bruine kikker, ja hoor, en een dwergvleermuis, en een vroedmeesterpad, jongens, het moet nou toch niet veel gekker worden. Nog even en we doen die hele klotenwinter geen oog meer dicht. En de mens maar klagen dat we uitsterven. Maar als ik niet slaap heb ik echt in de lente het vuur niet meer om eens flink van bil te gaan."

"Wat is van bil?" Vroeg de dwergvleermuis.

"Ga slapen dwergie," zei de hazelmuis.

"Maar ik wil het weten! Ik wil ook van bil. Wie wil er met mij van bil?"

De andere dieren gaapten. De bruine kikker pakte zijn iPhone. Een koude windvlaag trok door het bos.

"Hehe, eindelijk," zei de rugstreeppad, "een vleugje koelte."

De dwergvleermuis vloog vlak over zijn rug. "Kijk nou toch uit blinde," schreeuwde de hazelmuis, "gebruik die echo’s van je."

"Haha," lachte de dwergvleermuis, "van bil, van bil, dat is wat ik wil."

De bruine kikker zei plechtig: "Jongens, we krijgen vorst aan de grond. Ik ga mijn tanden poetsen en mijn pyjama aandoen, daag."

Hij slofte weg.

De andere dieren aten nog een stukje eekhoorntjesbrood, dronken nog een flesje dierencola en maakten zich daarna ook klaar voor hun winterslaap.

"Als we wakker worden," zei de vuursalamander, "is er hoop ik een milieuakkoord, slaap lekker allemaal."