Vincent Bijlo
VIJF JAAR GELEDEN WAS AUGUSTUS NET ZO STIL
Het is stil. Zo stil als het alleen in augustus kan zijn. De zomer wordt oud en lui, de warme lucht ligt lusteloos op het gras. De duiven dommelen in de boom, onwetend van Het Geel.
Ik denk aan 17 augustus 2004, toen was het ook zo stil, zo stil dat je de sluierwolken voor de zon kon horen schuiven. Mijn moeder belde en vertelde wat ik al wist bij de eerste rinkel van de telefoon, mijn vader was dood.
Ik stond met de telefoon in mijn hand op het gras. Voor het eerst van mijn leven voelde ik dat de aarde draaide. Opeens werd de tuin onmetelijk groot. Ik stond verloren op het gazon. De dood is veel groter dan we ons kunnen voorstellen. Het was alsof mijn vader mij door zijn sterven met de eeuwigheid had verbonden. Ik was opeens weer helemaal zijn kind. Ik ging zitten op het gras. Ik zat net zolang tot ik de maan en de sterren op me voelde schijnen, ik was een met het universum.
Nog nooit heb ik zo duidelijk gevoeld dat ik leefde als toen. Ik was treurig en blij, ik huilde en lachte. Hij was dood, ik leefde. Hij ademde niet, ik wel. Hij was koud, ik warm. Hij hoefde niet meer ziek te zijn, dat was beter, ik moest leren leven met het feit dat hij er niet meer was.
Nu, vijf jaar later, zit ik naar dezelfde stilte te luisteren. De telefoon gaat weer, het is mijn moeder. We condoleren elkaar met zijn eerste lustrum als dode. "Hij moest eens weten," zegt ze.
"Ja, hij moest eens weten," zeg ik.
Hij zegt vanuit de hemel in mijn hoofd: "Ik hou jullie wel in de gaten hoor." Hij lacht zijn milde Godfried Bomanslach. Ik vertel mijn moeder dat ik hem nog nooit zo goed gekend heb als nu en dat hij pas echt dood is als ik dood ben.