HET VERHAAL VAN EEN GELOVIGE DRUGSKOERIER
"Wat zal ik nou moeilijk doen," dacht de Boliviaanse priester. "Ik kan natuurlijk honderd bolletjes coke gaan slikken en die wegspoelen met wijwater, maar waarom zou ik niet…"
En zo gezegd, zo gedaan. Hij deed een schietgebedje, sloeg een kruis en plakte twee pakken cocaïne op zijn benen. Hij trok zijn soutane aan en stapte op het vliegtuig naar Amsterdam. "De Heer is met mij,’ mompelde hij en hij vloog door Gods hemel naar Schiphol.
Het liep wel een beetje raar, met drie kilo coke aan zijn benen, maar priesters lopen wel vaker raar. Het viel niemand op, hij kreeg zelfs een arm van een leuke stewardess bij het uitstappen.
Drie kilo, wat een straatwaarde had dat zeg! Eindelijk zou hij in staat zijn de kruisweg in zijn oude Boliviaanse kerkje te laten restaureren. Hij zou de glas-in-loodramen laten schoonmaken, nieuwe kerkbanken kunnen kopen…"
Hij strompelde langs de douane. De douaniers knikten hem vriendelijk toe. O, het liep gesmeerd, hij was er bijna. Eindelijk zou hij zijn vriendin mooie lingerie kunnen geven. Of een duur mondain parfummetje.
Waf, deed drugshond Mozes. Mozes stak zijn natte neus onder de soutane van de priester.
De douaniers lachten. Het zweet brak de priester uit. Mozes beet in zijn been, het witte goud liep op de vloer.
"Het is heilig zand," riep de priester wanhopig. "Ja, vader," zei een douanier, "zo kun je het ook noemen. Je bent er gloeiend bij."
De priester wankelde, Mozes beet in zijn andere been en snoof vergenoegd. De katholieke droom van de priester spatte uiteen, hij zakte vloekend in elkaar.