HET RAPPORT VAN DE COMMISSIE ONDERWIJSVERNIEUWINGEN

Het is altijd weer Die kloof tussen politiek en maatschappij. Om die kloof in stand te houden moet je als politicus Oost-Indisch doof zijn. Want zodra je kritiek uit de maatschappij tot je laat doordringen, worden je plannen gedwarsboomd. Als je luistert, kun je je wil niet opleggen. Je luistert wel, maar dat doe je selectief. Je luistert alleen naar mensen die belang hebben bij hetgeen jij wilt veranderen. Je luistert naar stuurgroepen, onderwijskoepels, schaalvergroters.

Maar dan komt de tijd dat je als politicus het veld moet ruimen. Je opvolger ziet het zo eens aan en denkt: ik wil mijn stempel ook drukken op het beleidsterrein, weet je wat, ik voer eens een flinke verandering door. Hij of zij stopt wasbolletjes in zijn oren en gaat aan de slag.

En zo gaat het door, de opvolger wordt weer opgevolgd, en iedereen doet wat hij of zij denkt dat hij of zij moet doen.

En dan is er opeens een rapport. Een vernietigend rapport. Daarin staat wat we allemaal al wisten. Wij zijn namelijk niet Oost-Indisch doof. Wij kennen leraren, wij kennen leerlingen.

Wij wisten allang dat het onderwijs geen speelbal mag zijn van politieke ideeën. Er moet geleerd worden. Dat moet met zijn tijd meegaan, maar dat moet op een algemeen geaccepteerde manier gebeuren.

Ik voeg daarom nog een conclusie aan het rapport van de commissie Dijsselbloem toe: het ministerie van onderwijs moet een partijloos ministerie zijn, waarin horenden en luisterenden het voor het zeggen hebben.

En ik zou ook nog graag even alle leraren willen bedanken, die er met hun inzet voor hebben gezorgd dat er ondanks alle opgelegde veranderingen toch nog veel geleerd is.