DE OUDERS, DE PEUTERS EN DE HAGEL
Twee peuters staan te huilen in de hagel. Maart roert zijn staart, net op het moment dat veel ouders hun kinderen uit de crèche bij ons in de straat komen halen. Een windvlaag blaast de mooie tekeningen die de peuters hebben gemaakt uit hun handen. Wat is de wereld gruwelijk hard en kil. Hun ouders staan nog in de stressmodus van het werk, ze binden de kinderen achterop de fiets. Ik hoor ze wegrijden, de huilende kinderen als sirenes op de bagagedrager.
Opeens priemt de felle zon tussen de laatste hagelstenen door, ik hef mijn gezicht, kijk in het licht, knijp mijn ogen dicht, haal diep adem en ruik ergens heel ver weg een beetje lente.
Maar dan herpakt de hagel zich, geselt de peuters en de ouders, dringt tot in de kragen van de jasjes van de dreumesen binnen. Een vader vloekt, hij hoeft niet meer te malen om smalende godslastering. Een crècheleidster wenst de hagel een ziekte toe, een oma steekt haar middelvinger op tegen de lucht.
De lucht trekt zich er niets van aan. Dan zingt plotseling een moeder: "het hagelt, het hagelt, grote korrels Fens." Een reclameliedje uit haar jeugd over hagelslag. Oma valt haar bij: "Fijne chocolade, Fens Fens Fens."
Opeens is alle woede verdwenen. De hagel gaat over in natte sneeuw, de wind legt zich er bij neer, en alle kinderen stoppen met huilen.
Ik zie het aan en ik denk: dat gebrek aan beschaving, dat minister Ter Horst constateert, is heel simpel op te lossen. Met zingen, met vrolijkheid, met licht. Geen Balkenendeblijheid, dat is opgelegde blijheid, maar pure blijheid, zo puur als de hagelslag van Fens. De blijheid van een mens die al tevreden is als de hagel overgaat in natte sneeuw, die licht ziet door de hagel heen.