KOUD, LAAT ME NIET LACHEN, HET IS HOOGUIT FRIS
Kou is gezellig, kou is Oudhollands, kou is boerenkool met speklapjes met een biertje. Kou is Erwin Krol die zegt dat het nog even zo blijft maar dat een witte Kerst er niet in zit. Kou is ruiten krabben met het krabbertje dat kwijt was, omdat het al heel lang niet meer nodig geweest was. Kou is blazen op je vingers. Kou is een gevoelstemperatuur van -15 in matige wind.
Kou is Haaksbergen. In Haaksbergen is het altijd kouder dan in de rest van het land. Daarom vindt daar altijd de eerste marathon op natuurijs plaats.
Kou is zeggen: "he, wat is het gezellig koud he?"
Kou maakt mensen wat saamhorige. Opeens denken we weer aan daklozen, dat die het zo koud zullen hebben vannacht, terwijl we zelf onder onze winterdekbedden liggen.
Kou is winterbanden, winterhanden, wintervoeten, wintermarkten.
Bij kou denkt men altijd aan vroeger, toen het nog veel kouder was. "Dit is geen kou jongen," zo vertelde mij gisteren een oude man. "Het kan nog zeker twintig graden kouder hoor. Vroeger, toen we nog geen cv hadden, en geen dubbel glas, toen was het pas koud. Toen moest je ’s morgens eerst het ijs van je dekens afkrabben voordat je kon opstaan. Daarna hakte je in de lampetkan die naast de wastafel in een hoek van je kamer stond het ijs kapot om je te kunnen wassen. Dan ging je naar beneden en stak de kolenkachel aan. Beneden trok je je kleren, die je altijd ’s avonds in een hoopje voor de kachel liet liggen, pas aan. Dit is geen kou jongen, jij weet niet wat kou is.
Nee, jij bent van de broeikasgeneratie, ik slaap met dit weer nog met mijn raam open. Ik kan het nu hooguit fris noemen, maar mijn winterjas, ha, die hangt nog gewoon in de kast. Kou, laat me niet lachen."