WAT EEN SCHITTERENDE MAANSVERDUISTERING

 

Ik heb genoten vannacht, van de maansverduistering. Ik lag heerlijk te slapen. Ik heb toch eigenlijk maar mazzel. Voor mij is de maan altijd verduisterd, dus ik hoef voor zo’n fenomeen als een verduistering mijn nest niet uit.

Nee, ik zeg het verkeerd. De maan is voor mij niet verduisterd, want duister ken ik niet, ik ken immers ook geen licht. Nee, de maan bestaat niet.

De zienden hebben de maan bedacht, preciezer gezegd, twee

Verliefde zienden die stonden te zoenen in de sneeuw. Ze sloegen in verrukking hun ogen op naar de hemel, die al eerder bedacht was door andere zoenende geliefden, en bedachten dat het goed van pas zou komen als er, nu ze hier stonden te zoenen in de sneeuw, iets op ze zou neerschijnen. En pats, daar was de maan. Hij was meteen vol. Ze waren sprakeloos, maar dat duurde niet lang. Hij dacht dat hij de maan bedacht had, maar dat gunde zij hem niet. Het zoenen verruilden ze voor bekvechten. Hij bedacht de wolken, zodat zij de maan niet meer kon zien. Zij bedacht de storm, die de wolken verjoeg. Hij bedacht een vallende ster, zodat hij kon wensen dat hij, en allen hij de maan bedacht had. Maar zij had intussen nieuwe wolken bedacht, zodat hij de ster niet zag vallen. Hij bedacht de bliksem, en toen was zij dood. Toen bedacht hij zich dat hij alleen was. Een nieuwe maan kon hij niet bedenken, dat lukte niet, zonder haar. Hij had het koud. Hoe had hij zo stom kunnen zijn de maan te willen claimen, en zo afgunstig en haatdragend om wolken en bliksem te bedenken. Hij was een egoïst, en daarom was hij nu alleen.