UIT HET LEVEN VAN EEN KLUSJESHOND

 

Het was helemaal de bedoeling niet dat ik klusjeshond zou worden. Ik was in de kennel gelegd voor het beroep van geleidehond, althans, dat dacht ik. Blinden gidsen, veilig van deur tot deur, dat was mijn droom. Het heeft niet zo mogen zijn, ik ben afgekeurd, het is mijn eigen schud. Ik had te weinig discipline, ik liep maar wat met alle winden mee. Ik had meer oog voor de teven dan voor mijn blinde. ’s Zomers dronk ik op terrassen vergeten glazen wijn leeg. Ik bedelde net zo lang bij koffieshops om hasj tot ik het kreeg.

Zo raakte mijn blinde verslaafd aan softdrugs. De inspectie greep in. Ik werd in een asiel geplaatst, ik kickte af en ben via het underdog-re-integratieprogramma de opleiding voor klusjeshond gaan volgen. Ik zette alles op alles om te slagen, ik wilde niet weer in de goot belanden.

Na mijn examen werd ik toegewezen aan een oude weduwe. Ik had bij haar een mooie tijd. Zij betaalde de Ikea-meubelen, ik zette ze in elkaar. Zij deed de boodschappen, ik droeg ze naar huis. Zij kookte het eten, ik draaide het gas uit dat zij was vergeten. We waren een goed team.

Omdat de spierkracht van de weduwe allengs verslapte, sneed ik zelfs op zondag haar vlees. Ik zag er geen kwaad in, maar ik had het nooit moeten doen.

Op een dag vond ik de weduwe dood. Ze was vermoord. Ik belde 112 en blafte net zolang tot de politie kwam.

Niemand ter wereld geloofde dat ik haar vermoord had, behalve opiniehond Maurice, met wie ik nu in een bitter hondengevecht ben gewikkeld.

Maar dat klusje zal ik wel klaren, je bent klusjeshond of je bent het niet.