DE TRIOMF VAN DE SUFFIGE HUISMUSSEN

 

Al wekenlang was een koortsachtige activiteit waarneembaar onder de anders zo suffige huismussen. Ze oefenden ingewikkelde vliegmanoeuvres en tsjilpten dat het een aard had.

Zondag was het dan eindelijk zover. Vanaf zonsopkomst hipten en vlogen ze volgens de ingestudeerde patronen door tuinen en over en langs balkons. Daarbij brachten ze een krachtige tsjilp voort die de aandacht wel op ze moest vestigen.

De kool- en pimpelmezen raakten ervan in de war. Ze voelden zich zelfs Geïntimideerd, ze trokken zich massaal terug.

Op de balkons en in de tuinen zaten mensen. Ze hadden pennen en blocnotes in hun hand en telden. Een mus, twee mussen, drie mussen, vier mussen en zo ging het maar door. Een enkele merel waagde zich af en toe nog in het zwerk, maar die werd al snel door de mussen, die op de merels afdoken als gevechtsvliegtuigen in een luchtgevecht, verjaagd.

Om vier uur, toen de mensen naar binnen waren gegaan, verzamelden alle mussen zich rond het televisietoestel. Om tien over vier ging er een enorm gejuich op. Daar stond het, op pagina 101 van teletekst: "Huismus op 1 in tuinvogeltop2000!"

De koolmezen knarsten met hun snavels, de pimpelmezen zagen groen van woede. Die misselijke huismussen, krengen waren het, klootvogels. "Sterf toch uit," riep een kwade kwikstaart.

Toen hief een merel een lied aan. Een mooi, hoopvol lentelied. Alle vogels zwegen en luisterden ademloos. Het verlangend gezang bracht iedereen bij zinnen. Niemand dacht meer aan strijd, iedereen dacht aan de lente.