2100

Tekst en muziek: Vincent Bijlo

Regie: Mariska Reijmerink

Decor: Henk de Vroom

Lichtonwerp: Henk Post

Techniek: Paul MOerman

Publiciteitsfoto: Marcel Koeleman

(geluid van minidisc, de telefoon.)

Ja, te laat, nou is hij al op de voicemail. Dat was mijn vrouw denk ik, die is al in het nieuwe huis. Je ziet het, we gaan verhuizen, morgen gaat het dan eindelijk gebeuren. De meubels zijn al weg, hier stond de bank, hier het tafeltje van opa Boemie, ik heb gevraagd of ze de vleugel en de bas nog even wilden laten staan, dan kan ik daar straks nog iets op spelen.

We zijn al twee weken bezig met die dozen, maar we hebben een stomme fout gemaakt, we hebben nergens op gezet wat waarin zit. Ik ben eigenlijk al twee uur op zoek naar mijn shag.

De feestdoos, lapje ballen.

Het is best een lief huis, dit, dus wat dat betreft is het jammer dat we weggaan, het is aan het begin van de vorige eeuw gebouwd, het heeft de hele tweede wereldoorlog doorstaan. Er zit ook een onderduikruijmte in, zaten Joden in, kwamen we vorige week achter toen Kok met 400 miljoen over de brug kwam.

Maar het wordt te klein, we kunnen niks meer voor onze verjaardagen vragen, past er niet meer in, alleen vvv-bonnen, en die net zolang laten liggen tot ze verlopen zijn, dan bespaar je ruimte.

Het is een leuk huis, maar het staat in de verkeerde buurt.(geluid minidisk hond) Precies, dat bedoel ik nou, mongool van een bovenbuurman. Laatst komt mijn bovenbuurman naar me toe hij zegt ik heb mijn auto de deur uitgedaan, ik zeg stond die binnen dan, het zijn ouwe huizen hier. Hij zegt ik heb nou een brommer, ik zeg dat weet ik. zit geen uitlaat onder kon die niet betalen zeker, die gaat elke morgen om zes uur naar zijn werk. Dan lig ik er net in. Het is hier zo’n herrie. We hebben hier vlak om de hoek een katholieke kerk, en hoe minder gelovigen er in die kerk komen, hoe harder ze de klokken gaan luiden.

We hebben ook een moskee, vijf keer per dag gammelegammelegai, kunnen ze niet gewoon die gelovigen een mailtje sturen. We hebben hier meer Furby’s dan kinderen, en meer mobiele telefoons dan volwassenen. Ik stond gisteren op straat met Jantje de loodgieter te praten, gaat zijn telefoon. Ik zeg, dat is Bach, nee, zegt-ie, dat is mijn vrouw.

En Turkse buren hebben we ook, die heel hard praten. Telefoneren met Turkije is waarschijnlijk te duur. Leuke mensen, we zijn daar laatst wezen eten. Nou ben ik een flinke eter, ze bleven ons maar borden voorzetten. Dat moet je niet weigeren, want dan word je vermoord, andere cultuur, andere gewoontes, dat moet je respecteren. Kijken ook altijd voetbal die Turken. Laatst zegt de een tegen de ander: Zullen we galasataray-istanbulspor van 20 april 1970 nog eens kijken? Ja zegt die ander en dan wedden we wat het wordt. Oké zegt de ene ik zeg 4-2, nou zegt die ander dan heb ik gewonnen, het wordt namelijk 2-0 ik heb per ongeluk de tweede helft gewist.

We stonden vanmiddag op straat, komt de overbuurvrouw naar buiten, zegt tegen mijn vrouw:

"We zullen hem wel missen hoor, hij liep altijd zo blij te klappen."

Dat ben ik, de buurtdebiel. Ik schreeuw en trompetter nou eenmaal graag, moet ik dan net zo chagrijnig lopen doen als al die mensen hier? Klagen over die en die die kanker heeft, en over de politie die niks kan? Laat mij maar lekker debiel doen.

(naar contrabas, liedje buurtdebiel, eindigend in geluid van minidisk, boze bovenbuurman)

Het wordt hier veel te klein, en de buurt takelt ook af. Er wordt steeds meer gejat. Laatst is de biobak gejat. Die is trouwens bruin. We hebben hier een groene bak voor het gewone afval en een bruine voor het biologische. Mij persoonlijk maakt het niet zoveel uit, ik ga op de geur af, maar mijn vrouw doet het altijd verkeerd om, die is getrouwd met de buurtdebiel.

De tandem is ook gejat, door twee junks.

En de scootmobiel van de buurvrouw, nou dat vond ik niet erg. Heeft ze mij nog eens een gebroken enkel mee gereden. Mens kon al niet eens met een elektrische naaimachine overweg, kreeg ze

een turboseniorenscheurijzer dat in 5 seconden optrekt van nul tot tachtig, nou dat gaat niet samen met Parkinson.

Morgen lekker weg, ik hoef nooit meer wakker te worden van de studenten die om vier uur ’s nachts: Weet jij hoe de aex geëindigd is vandaag?

We hebben dit huis gekocht van onze studiebeurzen. Toen kon dat nog. We konden drie maanden lang geen brood beleggen maar we hadden wel een huis. Mijn vrouw was overigens toen nog niet mijn vrouw, maar mijn vriendin. Want als studenten trouw je niet, dat is burgerlijk. Dus we hebben gewacht tot zij afgestudeerd was, niet tot ik afgestudeerd was, want dan kan je lang wachten dat ben ik namelijk niet. Ze was net op tijd afgestudeerd, want de socialisten kwamen aan de macht en de studiefinanciering ging opeens ontzettend omlaag. Vroeger vonden socialisten dat iedereen moest kunnen studeren, nu vinden socialisten dat iedereen moet kunnen beleggen en daarvan zijn studie maar moet betalen.

Wij zagen dit huis in de krant en we dachten gelijk dit is het. Dus ik de makelaar gebeld voor een afspraak, en we komen hier aan, en die makelaar stelt zich voor, en het eerste dat hij tegen mij zegt is: "u ziet mij niet, begrijp ik?" Ik zeg: "nou ik mis niet veel hoor ik?" Ja, makelaars moet je direct

Benaderen, die trekken elke gulden uit je poten die ze maar trekken kunnen. Apart slag mensen, makelaars.

Hij begon heel erg te twijfelen. "ja," zei hij, "is het nou wel iets voor u, er zit een hele gemene opstap in dit huis." Ik zeg waar dan en ik ging meteen op mijn bek. En ik lag daar op de grond en de makelaar zegt tegen mijn vrouw: "Zullen we maar een aanleunwoning doen, met tafeltje dek je?" Dus ik geef hem een tafeltje dekje op zijn aanleunwoning, flikkert hij zo die opstap af. Een hele gemene opstap. Ik roep tegen de makelaar: "we kopen dit huis." Hij antwoordt niet ik zeg: "u hoort mij niet begrijp ik" Hij zegt: "mis ik veel?" ik zeg: "ja heel veel we kopen dit huis," en het was van ons.

We kregen de sleutel, we kochten een fles champagne, en hebben die hier op de lege vloer opgezopen, en we hebben gevreeën en de hele buurt stond voor de ramen, want we hadden nog geen vitrages en de ramen hebben hier ogen. En de overburen kwamen vragen of we soms een condoom moesten lenen, want zo groot is dit huis niet. Toen we wel vitrages hadden was het weer niet goed, kwamen ze klagen dat ze scheef hingen. (geluid minidisc doortrek). Ik moet dit geluid nog vijf keer horen, na 12 jaar ken je de stoelgang van je bovenburen heel goed. Morgen ben ik er eindelijk van verlost. Bovenbuurman zal ongetwijfeld blijven schijten, maar morgen hoef ik het eindelijk niet meer te horen.

(liedje a capella). We gaan verhuizen en alles gaat mee

De radio de video de fax en de tv

De tafel en de kasten

De lusten en de lasten

De stoelen en de bank

De volle flessen drank

We gaan verhuizen en alles gaat mee

De telefoon en de kalender van de plee

De wasmachine de afwasmachine

De typemachine de braillemachine

De ijsmachine de naaimachine

De keukenmachine en de grasmaaimachine

de espressomachine en de breimachine

Alleen de blunders En de fouten en de domheid en de ellende blijven hier

Samen met het lege kratje bier. (doos met bestek flikkert op de grond). Luister maar!

Dat huis, waar we morgen heengaan, daar zijn we stomtoevallig tegenaan gereden. We waren vorig jaar aan het fietsen, toen we de tandem nog hadden, en ik had een goed humeur. Ik zat lekker achterop een beetje te zingen van zuurkool met vette jus, mijn vrouw zegt sstt ik zeg vind je het niet mooi jawel zegt ze, prachtig, maar we fietsen nu door een stiltegebied. Ik luisteren, het was helemaal niet stil. We zijn teruggereden naar het bordje met stiltegebied, om te testen of je buiten het stiltegebied meer herrie hoorde dan daarbinnen, maar het was andersom. Omdat je beter gaat luisteren. Gelukkig is het daar niet helemaal stil, we waren twee jaar geleden in de Ardennen en daar was het stil. Af en toe moest je even kuchen om te controleren of je oren het nog wel deden. Dat duurde gelukkig maar drie dagen, toen ontsnapte Marc Dutroux, die gingen ze zoeken met helikopters, eindelijk weer wat leven.

Wij fietsten door dat stiltegebied, je komt daar af en toe mensen tegen, hele vriendelijke mensen, die je altijd groeten, heel zachtjes, hallo. Er stond daar een huis te koop, en wij dachten meteen, dit is helemaal ons huis. Grote lap grond er omheen, geen overburen, vrijstaand, dus wij de makelaar gebeld, en een afspraak gemaakt, die makelaar stelt zich voor en het eerste wat hij tegen mij zegt is:

"Bent u niet?"

Ik zeg: "Nee, dat ben ik niet."

Hij zegt: "Jawel, ik zag u laatst op tv met Jean Toets Tielemans."

Ik zeg: "Ik ben nog nooit op tv met Jean Toets Tielemans geweest.

Hij zegt: "Jawel, en ik vond u erg goed."

Nou, dat heb ik maar zo gehouden, ik dacht misschien doet hij wat van de prijs af, maar dat deed hij niet. Prijzen huizen zijn belachelijk hoog, er is een soort geldgekte ontstaan.

Nederland is nu zo ingericht dat je alleen maar kunt meedraaien als je veel geld hebt. Je kan niets meer laten repareren. Wij hadden een fax van de KPN, en die fax was kapot. Ik had het zelf nog niet gemerkt, maar mijn vrouw zei het.

Wij naar de primafoonwinkel, nummertje getrokken, half uurtje gewacht, ondertussen allemaal onzin moeten aanhoren over nieuwe abonnementen, flexibel, plausibel, abominabel en penibel.

Na twee uur waren we aan de beurt, achter de balie zat een boze mevrouw, zijn al bij voorbaat boos omdat ze weten dat iedereen die daar komt boos is, ik zeg, ik ben namelijk nooit boos ik zeg, hallootje, de fax ik kapot, Moet gerepareerd worden. Doen wij niet meneer, zou duurder zijn dan een nieuwe, we hebben op dit moment een aanbieding... de atlanta60. Debiele namen, alsof je in Amerika ook de Bunnik40 zou hebben. ik pak die fax, draai me om, laat ik hem vallen. Ik sluit hem thuis aan, hij doet het gewoon weer. Geld, het is een gekte. Wij hebben acht jaar geleden dit huis voor zevenenzeventigduizend gekocht, dit kot is nu tweeënhalve ton waard, en ik zal een lul zijn als ik zeg, nou doe maar wat minder, want mijn nieuwe huis is ook zo belachelijk in waarde gestegen, iets minder dan, omdat je zoveel snelweg hoort, maar toch. iedereen is in de ban van geld. Magnetron kapot, je koopt gewoon een nieuwe. Onzinnige dingen aangepraat, tae bo, we hebben nu ook een elektrische tandenborstel, met poetsgeheugen, ik stak gisteren de elektrische schroevendraaier in mijn mond. Ik ban voor altijd van mijn tandplak af. Maar als je het geld niet hebt, als je niet mee kunt doen aan die gekte, dan ben je de lul. Er moeten optieregelingen komen voor uitkeringsgerechtigden. Geld, Het is de enige overgebleven religie.

Onze fondsen, die in den min zijn; uw naam worde geheiligd. Uw rendement kome. Uw wil geschiedde, gelijk in den hemel, alzo op de beursvloer. Geef ons heden ons dagelijks geld. En vergeef ons onze schulden, maar wij vergeven niet onze schuldenaren. En leid ons in verzoeking, en verlos ons van het bankroet. Want uw is het rendement, en het geld, en de begeerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

 

Het heeft een paar centen gekost, maar we hebben het gekocht, het huis.

Ik heb er ontzettend veel zin in, verhuizen. Het is groot, ik was daar laatst even wezen pissen kon ik de woonkamer niet meer vinden. Ik had gelukkig mijn mobiele telefoon bij me, kon ik even mijn vrouw bellen om me te komen halen. Belt ze even later terug, maar naar welke wc was je dan geweest? Mijn vrouw is nu daar, er moet vanavond namelijk nog heel veel gebeuren, woonkamer is 12 bij 6, heeft een lange wand met steenstrips, andere muur met schrootjes, het plafond is Californisch granol, en de vloer is zeil met motieven van Spaanse tegeltjes. En er zit een elektrische open haard in, met zo’n plastic nepboomstam. Ik vind het prachtig, zo’n haard, als hij uit is, ik hou erg van kitsch. Daar is heel veel aan te voelen. We hebben afgesproken dat ik een eigen kamertje krijg, met steenstrips, en schrootjes, en een elektrische open haard, een tuinkabouter en andere leuke Blokkervoeldingetjes.

Mijn vrouw vindt het niks, dus die is nu als een Spaanse stier dat allemaal aan het slopen.

Ik Ben ontzettend benieuwd naar het volgende huis, ik ken het nog helemaal niet, ik weet niet eens hoe het er uitziet. Ik ben er een paar keer geweest, ik heb er een paar keer lopen voelen, maar een echte indruk heb ik niet, alleen die steenstrips en die schrootjes ken ik, maar die gaan er nou juist uit. Eigenlijk bestaat het nieuwe huis voor mij nog niet. Dingen bestaan pas als ik ze aan kan raken. Als ik hier met mijn armen over elkaar ga zitten, dan is deze kamer nog net zo mooi ingericht als vanmorgen. Er kan hier wekenlang een afwas op het aanrecht staan, als ik hem niet aanraak bestaat hij niet. Van sommige spullen hier in de dozen wist ik niet dat we ze nog hadden. Hadden al die tijd gewoon in de kamer gestaan, als ik ze niet voel zijn ze er niet.

Ik doe nog dagelijks nieuwe ontdekkingen. Gisteren zat ik in de auto bij een vriend, hij zegt: "Ik heb haaientanden, dus ik moet voorrang geven."

Ik zeg: "Zie jij er zo eng uit?"

Het heeft tot mijn vijftiende geduurd voordat ik wist dat er mensen bestonden die snorren hadden. Er is Vast nog veel meer waarvan ik niet weet dat het bestaat. Misschien zit er wel een erker in het nieuwe huis, ik ben het vergeten te vragen. In ieder geval geen gemene afstap, want dan had ik dat zeker gemerkt.

Maar wat dat huis betreft kan ik Blind varen op mijn vrouw, zij doet alles op gevoel, en als het voor haar goed voelt zal het voor mij ook wel goed voelen.

Ik weet overigens een ding wel heel zeker van dat stiltegebied, je hebt daar nog vogels. Ik ben van plan om me daarin te gaan verdiepen, vorige week zijn we ter voorbereiding mee geweest met de vogelwachter. We kwamen daar om elf uur aan, man had al een enorme whiskywalm om zich heen hangen, Famous Grous waarschijnlijk.

Je hebt hier mussen, klotevogeltjes met dat stomme tsjiep tsjiep, de mongolen onder de vogels, vinken, ken je wel, tsjietsjietsjietutututututuu., o, dat zie jij niet, maar hij vliegt net weg, pimpelmezen piepiepie piepiepie, de vogelpolitie, lachende spechten, hahahahaahaahaahaahaahaahaa, dat is jouw publiek, hahahaahaahaahaahaa, scholeksters, kepiet, kepiet, valse kraaien, kraa, kraa, geile uilen, oeoeoeoeoeoeoeoeoeoehhohoehoehoehoehoehoehoehoehoee, en nou zag ik hier vanmorgen zeg, heb ik nog nooit gezien, heel bijzonder, een roodbonte kutfluiter. Heb ik hier nog nooit gezien. Wit befje, rode neus, klinkt zo: Kasjepiep, kasjepiep. Lazert ook regelmatig van zijn tak, hebben gigantische kegels, kasjepiep. Dat is het mannetje. Vrouwtje maakt geen geluid, zegt niks, trut.

(aan piano)

HET STILTEGEBIED

Hier hoor je het gras groeien

Hier hoor je bloemen bloeien

En een knop die openbarst geeft een harde knal

Hier hoor je het koren nog wuiven

Hier hoor je bijen nog bloemen bestuiven

Hier hoor je wolken voor de volle maan schuiven

Hier hoor je vogels nog eieren leggen

Hier hoor je vlinders flikflooien in heggen

Hier hoor je de zon piepend opkomen

Hier hoor je dat vossen soms ook eng dromen

Hier hoor je de egels bij het seksen hard schreeuwen

Maar dat mag eigenlijk niet

Want het is hier een stiltegebied

Hier is geen plaats voor herrie

Hier draai je zachtjes Chuck Berry

En punk dat hoor je hier niet

Want het is hier een stiltegebied.

Hier heerst de rust en als wij eens praten

Dan willen wij niet dat de schapen steeds blaten

En de koeien steeds loeien en de kutfluiter kasjepiep

Want het is hier een stiltegebied.

Hier zijn de woorden gemaakt nog van taal

Hier is hallo tegen anderen normaal

Nee in steden hoor je dat niet

het is hier een stiltegebied. (geluid minidisc van helikopter).

(gerommel in dozen, rare kitsch komt tevoorschijn, daarna een busje).

Ik vond vanmiddag een busje. Daar heb ik ooit eens mee gecollecteerd, voor de panda. Op school was mij verteld dat hij uitstierf en dat zou ik me niet laten overkomen. Ik had geen idee hoe hij eruit zag maar hij mocht niet dood.

Mijn zusje vond het stom, die had het niet op dieren. Die knipte in de tuin wormen doormidden, en zette ze in legostoeltjes. Dat geeft niks, zei ze, als je ze doormidden knipt leven ze gewoon weer verder, dan heb je twee wormen. Ik wilde mijn zusje wel doormidden knippen, maar als ze gelijk had was ik nog verder van huis, had ik twee zusjes.

Ik heb zes gulden opgehaald, en het heeft geholpen, de panda is nog steeds niet uitgestorven.

Ik geef zelf nooit iets aan collectes. Weet je wat die collectanten dan altijd zeggen: Ja, Dat begrijp ik.

Wat moet je met al die spullen (trompet).

Hier, een trompet, die is nog uit mijn vorige huis. Voor ik hier woonde woonde ik in een studentenflat, en dan mag het hier af en toe een herrie zijn, daar was het nog veel erger. Die flat stond aan de rand van de stad. De gemeente had daar een soort getto gemaakt, er was een kunstacademie, een lagere technische school en duizend studenten, kortom allemaal mensen die ze liever niet in de binnenstad wilden hebben, oja en een woonwagenkamp was er ook nog en de daklozenopvang. En een halte van de methadonbus en het hoofdkantoor van de Riagg. daar was het nooit stil. Ik woonde daar met vijftien studenten op een etage, er woonde een dove jongen, die had altijd zijn stereo op tien zodat hij de groove kon voelen, er woonde een jazzzangeres, die zat de hele dag te scatten, en een schizofrene vrouw, die was onder acht namen lid van de ECI, hele gang stond altijd vol welkomstgeschenken, en een conservatoriumstudent die bas speelde. Er moest zoveel mogelijk lawaai gemaakt worden. Daar kon ik gewoon om vier uur ’s nachts trompet gaan spelen op het balkon. Het was zelfs zo erg dat als ik er een keer niet stond ze me uit mijn bed schreeuwden: Bijlo, spelen." Moet je hier eens proberen. "Hé, ken die olifant af?"

Het was daar een onbeschrijfelijke bende op die flat. De keukenvloer daar kon je alleen maar schaatsen vanwege het vet, de afwas daar begon je al niet eens aan, die flikkerde je gewoon eens per week uit het raam. Bier en chips, dat was eigenlijk het enige dat we nodig hadden, en een appel, af en toe, als je echt een gezonde bui had. Eten, dat deed er niet zo toe, het ging om de hogere zaken, om de poëzie, toen hadden we nog idealen, makkelijke tijd was dat. Iedereen had altijd tijd, niemand had kinderen en mannen en vrouwen bestonden niet, je had alleen maar mensen. Je had ook nog begrippen als links en rechts.

ik was links en iedereen die rechts was was een lul. En iedereen was gelijk, behalve als je rechts was dan was je een lul, en dat had niets met ongelijkheid te maken, want wij hadden gelijk. Waarin, dat wisten we ook niet precies, maar we hadden niet veel geld, dus waren we links.

Het was daar zo’n bende rond die flat, daar gebeurde altijd wel wat.

Soms vergat je dagenlang dat je studeerde.

’s Morgens begon het al als ik ging kijken of er post was, had altijd wel een of andere technische schoollul een bakje patat met piccalilly in mijn brievenbus gestopt. Dan moest ik boodschappen gaan doen en maar hopen dat er niemand van de flat sprong die zijn tentamen niet gehaald had, dat gebeurde ongeveer een keer per week, meestal viel hij op een dakloze en als ik dan mijn boodschappen had ontbeet ik. Het was inmiddels twee uur, en dan ging ik naar college. Dan liep ik naar de bushalte voorbij de kunstacademie, daar stonden altijd sculpturen op de stoep, ik heb wat kunst vernield in de loop der jaren. Ik loop op een morgen beetje ongeconcentreerd daar voorbij, ik flikker iets omver ik hoor achter me: "mijn kerststal."" Was een afstudeerproject van een jonge kunstenaar, met blote Jozef en Maria.

En als ik dan levend bij de bushalte was aangekomen kwam het volgende probleem, hoe weet ik dat de bus eraan komt, en als er een bus aankomt is dat dan de goeje, er kwamen zes lijnen langs. Dus als ik ook maar meende dat de bus eraan kwam, dan stak ik mijn hand op, meestal mepte ik dan een fietser van zijn fiets, maar dan was het nooit mijn bus. Een vrachtwagen, een tankwagen, een touringcar een brandweerwagen, of een bus die ik niet hebben moest, nooit mijn bus. En als het al eens mijn bus was, vroeg ik aan de chauffeur om mij te waarschuwen als we bij de universiteit waren, vergat hij altijd.

Dus dan stapte ik na een uur weer uit waar ik begonnen was en worstelde me langs de kerststallen en pluchen penissen en daklozen en vallende studenten en patat etende en vuurwerk afstekende technische scholieren weer naar huis. Dan veegde ik de stukjes afgerukte technische scholierenvingers van mijn jas, liep de trap op, we woonden driehoog, baande me een weg door de afwas, en dan dacht ik hoe is het nou toch in godsnaam mogelijk. Dat de eerste de beste dakloze hier een dak kan vinden, dat de debielste technische scholier hier onderwijs kan genieten, dat de meest mislukte en stomste kunstwerken hier op de stoep kunnen staan en dat ik, briljante student Nederlands niet in staat ben naar college te gaan. En dan ging ik op mijn balkon staan en dan speelde ik trompet zoals Louis Armstrong dat zelfs in zijn hoogtijdagen nooit gedaan heeft, ik perste al mijn frustraties door dat smalle mondstuk, tot mijn lippen opzwollen en mijn wangen pijn deden en dan dacht ik ik wou dat ik dakloos was, of junk, dan had de wereld meer aandacht voor mij gehad dan nu. Maar ik kwam er al gauw achter dat junk zijn ook niet alles is, ik liep tegen de methadonbus op en kreeg een portie methadon uitgereikt, niet te zuipen dat spul, Soms dacht ik, misschien moetik maar kunstenaar worden, dan kan ik tenminste vlakbij mijn huis studeren.

Dan zou ik prachtige schilderijen gaan maken, vergezicht van Vincent Bijlo, een leeg doek. Ze zouden geweldig verkopen. En dan zou ik erbij zeggen, dat die lege doeken de kortzichtigheid, het egoïsme en de leegheid van de moderne mens weergeven. En die doeken zouden geroemd worden, alleen de mensen zouden er niet minder leeg of egoïstisch of onverschillig van worden. Want kunst verandert de wereld niet, kunst wordt tegenwoordig voornamelijk gebruikt om te beleggen. Maar ik ging nooit de kunst in, ik liep er alleen maar tegenop. Ik ploeterde voort in mijn studie, en ik moest als ik straten overstak maar gokken dat de stoplichten op groen stonden, want er waren nergens tikkers. Ik heb wel eens gebeld met de gemeente om te vragen of ze die konden plaatsen. Toen zei die ambtenaar dat ik eerst een aantal lotgenoten in mijn omgeving moest zoeken en dat we dan gezamenlijk daartoe een verzoek moesten indienen. Maar, hoe vind ik die. Nou, een advertentie zetten in het stadsblad. Kunnen ze niet lezen. Aanpassingen moeten er gewoon zijn. Ik hoef niet meer te proberen met de trein te gaan, een kaartje kan ik niet meer kopen. Als ik geld opneem, is het nog maar de vraag hoeveel er uit de muur komt. De knoppen hebben bij elke automaat weer andere functies. Ik heb wel eens duizend gulden i.p.v. vijftig gepind, het was net zo snel op. Er is hier toch niks goed aangepast, je hebt van die paden met rubberen tegels, leiden je meestal fietsenrekken in, of laten je van het perron lazeren.

En dan zal je zien, komt de trein er net aan ben je je benen ook nog kwijt. Dan kan je altijd nog schilder worden.

(aan de bas met vervorming, stadsgeluiden van minidisc)

 

JUNGLE

De stad is een jungle

De stad is een jungle

De fietsen zijn tijgers

De auto’s zijn leeuwen

De mensen zijn beesten

Die verschrikkelijk schreeuwen

De stad is een jungle

De stad is een jungle

De straten gevaarlijk

De zwervers kannibalen

De junks wilde dieren

Het lawaai is onbedaarlijk

De stad is een jungle

De stad is een jungle

De katten zijn lynxen

Die je kunnen verscheuren

De honden zijn wolven

Er kan zoveel gebeuren

De stad is een jungle. (pauze)

Ik heb een doos met mijn cassettearchief gevonden. (draai bandje op cassetterecorder, houd het voor mijn zendermicrofoon). Hier, een bandje, punk, de conservatoriumbassist, ik op drums, hoor die bekkeninstabiliteit, en de dove jongen aan de zang.

Ik had wel hulp, er was een stichting die bemiddelde tussen mij en de universiteit, bij problemen. Ik had een afspraak gemaakt met een medewerker van die stichting, om acht uur. Ik zit klaar, temidden van die gigantische bende in de studentenflat, om half negen gaat de bel. Ik neem de intercom op: "hahahahahahahahahahahahahahlo, ik ben van de stististichting studie en handicap. Ik maak van afstand de deur open, ik woonde driehoog, zonder lift, ik doe de deur naar het trappenhuis open, ik sta die man op te wachten, ik sta daar vijf minuten, niks. Toen hoorde ik van ver: Boem, boem, boem, boem, boem, hijgen,: "Zo, dadadadadadadaar ben ik dan. Ik ben van de stististististististististististi,"

"Jaja, komt u binnen. Hij loopt de woonkamer in, hij flikkert tegen de eettafel op.

"Er is hier nergens lililililililililililicht!"

Ik deed nooit licht aan, ik heb een keer licht aangedaan, toen er een meisje op bezoek kwam, brandde een week later nog.

"O," zegt die man, "ik ben mijn papapapapapapapieren vergeten, ik loop even terug naar de auauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauauto."

Hij gaat weer weg, ik zet intussen koffie, doe de afwas, stofzuig het hele huis, bereidt mijn colleges voor, bel een paar vrienden, neem een biertje, draai een plaatje en daar gaat de bel. Wie zou dat zijn? Ik Doe alvast het licht aan, hij gaat zitten, 20 minuten later, en hij zegt: "Waren er proproproproproproprolijkheden?"

Ik zeg: "Wat?"

"Of er moeimoeimoeimoeiblemen waren?"

Ik legde hem uit, dat ik, als ik naar college ging maar moest hopen dat ik weer levend thuis zou komen. hij zou gaan praten, met mijn decaan, of ik voortaan met de taxi mocht, de kamer van onze decaan was op elfhoog, zonder lift.

Bandjes. Ik neem alles op, hele vakanties, vorig jaar zijn we drie weken naar Engeland geweest, dit jaar gaan we niet, dan draai ik die bandjes, ben ik weer drie weken onder de pannen. 15 april 1973, kleine Bijlo     13 april 1992. Aardbeving. Luister nou eens, dit is een Spaans muziekkorps, tijdens de kerstprocessie. Spaanse muziek in mp3

We zijn vorig jaar in Spanje geweest, zakentripje, ik moest een reisverslag schrijven voor de Rails, dat is de kampioen, maar dan van de trein. Alles geheel verzorgd, eerste klas, le Thalys, internationale allure, daar moet je zacht praten, het liefst over Franse films, le Figaro lezen, naar Hugo Boss ruiken en in je gsm’etje mompelen, wijntje drinken, beetje krap, niet verzitten anders klapt je tafeltje in en dondert je glaasje sur la terre, toen van gare du nord naar gare Austerlitz per taxi, woedt daar een taxioorlog, een guerre de taxi, schieten met camembert op elkaar, die chauffeurs, hebben altijd een stokbrood onder hun stoel, je weet maar nooit, op gare Austerlitz even pissen was een probleem. Ik ga altijd met mijn vrouw mee naar de dames, maar o non non non non, ik moest pipi bij de heren. Toiletjuffrouw plaatst mij persoonlijk achter een urinoir en dan slaat onverbiddelijk de continentie toe, ik neurie en fluit wat marseillaise, en vlak achter mijn oor: "Pret?" Dat betekent klaar. "Oui, pret." Ze deed nog net niet mijn gulp dicht. Ze schuift mij weer terug naar mijn vrouw, wij in de trein van Parijs naar Madrid. Luxe trein, ik was bang voor zespersoonscouchettes met Franse knoflookscheten en Duitse zweetvoeten, nee, tweepersoonshut, stapelbedje, ik mocht boven, een viergangendinertje, wijntje erbij, want zoals het oude Spaanse spreekwoord zegt, een diner zonder wijn is als een dag zonder zon. Spanjaarden zijn goed in spreekwoorden. Van het kantoor des levens is niemand directeur. Niets is zo erg, als blind zijn in het Al Hambra. Dat werd dus niet Grenada, want daar staat dat. Het werd Sevilla, we moesten toch naar een stad, eigenlijk ging het ons alleen maar om de treinreis, maar we waren nou toch al in Spanje.

In Sevilla heb je gebrailleerde geldautomaten. Ik heb daar heel veel uitgegeven, anders vond ik het zo zonde, dat ik die automaat zo weinig kon gebruiken. Nederland staat hoog aangeschreven daar, we zagen in een boekwinkel de kabouters van Rien Poortvliet, los gnomos.

Je hebt daar architectuur, zei mijn vrouw, Spanjaarden zijn dol op tegeltjes, heel Zuidspanje is een grote steenstrip. Een groot voelparadijs

En ontzettend katholiek. We waren daar met kerst, er stond op het plein voor ons hotel een kerststal, daar past dat hele Betlehem drie keer in. Als Jozef nou gereserveerd had voor die herberg, dan hadden wij elk jaar met kerst een gezellige kroeg onder de boom.. Het grootste verschil tussen een Nederlandse en een Spaanse stad vond ik dat je nergens hasj en wiet ruikt, en dat ze nergens vragen of je een gulden hebt, met peseta’s gaat het daar. Heel veel lawaai in Spaanse steden. Ik werd ’s nachts wakker, pleurisherrie buiten (flamenco) en dat vind ik heel mooi, maar alleen als ik het zelf doe.

Ons hotel stond tegenover een soort studentencorps:

"Jose, weet jij hoe de aex geëindigd is vandaag?" Mijn vrouw werd wakker van die student, en ik vroeg: "Mogen we naar huis?"

(aan de bas)

HEIMWEE

 

Heimwee is de zee die je niet hoort

Heimwee is de geur van gemaaid gras in januari

Heimwee is ’t verlangen naar de grapjes van je oma

Heimwee is de radio die stoort.

Heimwee is een stem, die je vaag herkent

Heimwee is een sneeuwbal in augustus

Heimwee is de wijsheid van je opa

Heimwee is ’t café waar je niet bent

Heimwee is iemand die precies hetzelfde lacht

Heimwee is de wijn die nooit meer zo lekker was

Heimwee is een plaat van vroeger die je niet meer vinden kan

Heimwee is je huis, dat op je wacht

Ik miste dit huis zo. Het is zo gezellig hier, als je weg bent merk je ook dat je ontzettend veel vaste gewoontes hebt, ik luister elke nacht tot vier uur naar het achtuurjournaal. Philip Freriks, die vind ik het beste. Die kan elke scheet opblazen tot een ramp van wereldniveau, en hij blijft er ook zo enthousiast bij.

(actuele voorbeelden) en dat dan tien keer achter elkaar, tegen vier uur ’s nachts lig ik onder tafel. Ik blijf de hele nacht op voor het journaal, dan hoor ik tien keer dat de beurs onderuit is gegaan, om vier uur staat de aex op nul.

Dan hoor ik tien keer Diana Woei en die voorspelt altijd klotenweer, maar het rare is als je dat voor de tiende keer hoort dan denk je:

"nou, net was het slechter."

Je hebt je vaste gewoontes, elke avond lingo kijken, ik lees twee kranten per dag, in Spanje had ik dat soort input niet. Kranten daar, niet te lezen. Op een gegeven moment hadden mijn vrouw en ik ook niks meer tegen elkaar te zeggen. Zaten we in zo’n Spaanse bar, met tegeltjes, te zwijgen boven de olijven. Jullie kunnen dan nog tegen elkaar zeggen, goh, zie je die rare man daar, of wat een belachelijk haar, maar wat kon ik nou zeggen, hé, daar schuift iemand een stoel naar achteren, iemand roert zijn koffie, hoor je dat, nu legt hij zijn lepeltje neer, grappig. Nou dat heb je na tien minuten ook wel gehad. Zij moest mij ook overal mee naartoe nemen. Zo jammer dat ik nou nooit eens kon zeggen, joh, ik neem jou vanavond mee naar een leuk restaurant dat ik gezien heb, of naar het stierenvechten. Maar dan troost ik me maar met de gedachte dat als ik haar mee zou vragen naar het stierenvechten ze toch nooit zou willen.

Maar je kan van Spanje zeggen wat je wilt, ze hebben goeje aanpassingen. Ook liften met braille bij de knopjes. Ik heb in Nederland vaak middagen lang tussen de begane grond en de achttiende heen en weergezoefd.

ik heb een keer in Nederland in een lift met braille bij de knopjes gestaan, maar dat waren tiptoetsen. Toen ben ik als een raket door het dak geschoten, en in New York weer geland, is toen nog een film over gemaakt, Bijlootje. Sevilla is overigens vergeven van de blinden, die verkopen daar loten. Dit muziekkorps (geluid van minidisc) bestaat helemaal uit die lotenverkopers. Moet je horen, dat ben ik, met mijn trompet op het balkon.

Iedereen vindt dat heel gewoon. Zeg je in Spanje blind dan zeg je gokken. Ze kwamen regelmatig, als ik ergens zat te eten aan mij vragen of ik nog loten had. Het zal toch maar je lot zijn, in ieder geval hadden we wel weer iets om over te praten. Het was best leuk in Spanje, maar ik was heel blij dat ik weer thuis was.

(aan piano)

 

HET LICHT

Het licht ligt slapend naast mij, en het ademt licht

Het schijnt nooit verblindend, altijd zacht op mijn gezicht

Het licht heeft handen, voeten, en heel mooi lang haar

En het licht is 60 kilo zwaar.

Ze is de koplamp en het voetlicht

Het grootlicht en het dimlicht

Het remlicht en het stoplicht

Het mistlicht en het weerlicht

Het zonlicht en het maanlicht

Ze is nooit vals ze is nooit schel

Ze is heel sterk maar nooit te fel

Ze licht mij uit, ze licht mij voor

Ze licht mij aan, ze licht mij door

Soms ligt ze dwars soms ligt ze tegen mij aan

Ik hoop een ding

dat het nooit uit mag gaan

tussen mij en het licht.

Het is ook in dit huis geweest, dat ik eindelijk heb gevonden war ik eigenlijk voor leef.

Toen ik hier nog maar net woonde, organiseerde ik hier poëzieavonden. Wij zaten hier met 16 jongens, ieder een sigaar, en een jenevertje, elkaar gedichten voor te lezen. Slauerhoff, alleen in mijn gedichten kan ik wonen. We schreven zelf ook, we waren postsymbolisten. Dan kwamen ze met gedichten aan:

Als je ziet, dat in de oude mist

Van lang vervlogen dagen

Niets meer lijkt te schijnen

De glans verdwenen is

Het zwart verschenen is

De witte schaduw van het niets

Waarin de tijd met lome handgebaren

Het horloge op de pols van pierlala

De dood, met onvermurwbaar zwijgen

Geen duimbreed toegeeft aan het graf.

De opgestroopte mouwen van het einde

Zijn tekens, van een nieuw begin

Ik kon er Niets aan doen, maar ik moest daar zo verschrikkelijk om lachen. Jongens kwaad, je respecteert ons niet, en je neemt ons niet serieus.

Moest ik het "horloge op de pols van pierlala" serieus nemen? Dat was gewoon een mislukte metafoor.

Jij begrijpt er niets van, zeiden ze, jij moet overal grapjes over maken, jij moet cabaretier worden. Het was Bedoeld als een belediging, maar ik vond het niet eens zo’n gek idee. Ik heb een paar gedichten genomen die door de anderen helemaal afgekraakt waren, ik heb er muziek onder gezet, wat grapjes bedacht en me opgegeven voor een festival. Daar moet ik ook nog een bandje van hebben. (cassette). Daar heb ik toen deze beker mee gewonnen. Eindelijk had ik iets gevonden dat ik helemaal zelf kon verpesten. In dit huis ben ik cabaretier geworden. Dat was het leukste dat mij tot dan toe in mijn leven overkomen was.

Behalve dan mijn huwelijk, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar de mensen hier in de buurt snappen er niets van. Die lezen wel eens iets in de krant over mij, en dan vragen ze:

"Dat cabaret wat jij doet, doe je dat nou in speciale tehuizen?"

ja, het zijn hele speciale tehuizen. Men noemt ze wel schouwburgen.

"En komt daar dan alleen jouw soort mensen?"

Zelfs al zou ik een maand in carré staan, en het zou een maand lang uitverkocht zijn, dan zouden ze nog bij zichzelf denken: Nou, het kan nooit wat wezen.

Het ging een tijdje goed met onze voetbalclub, FC Utrecht. Het is lang geleden, maar het ging een tijdje goed. Ze hadden al acht wedstrijden op rij gewonnen, en toen speelden ze gelijk tegen Ajax, en dat was toen nog een hele prestatie, vond ik. Maar hier zeiden ze: Het ging ook eigenlijk al veel te lang goed.

Alles moet hier naar beneden gehaald worden, plat en gewoon gemaakt.

Hier in de buurt kijken ze elke avond get the picture, ik heb er ook wel eens naar gekeken ik vond er geen reet aan.

Hier in de buurt kopen ze elke dag twee krasloten, heb ik ook gedaan, maar ik had nooit wat, zei de sigarenboer.

Hier in de buurt denken ze allemaal dat ik in de WAO zit, en dat cabaret er zwart bij doe.

Hier in de buurt eten ze doordeweeks Chicken Tonigt en op zondag aardappel anders.

Hier in de buurt kunnen ze uren lullen over het stunten van de Aldi met de cola, of over de prijs van koffie bij de Nettorama.

Ik heb dat zelf ook geprobeerd, je doet wat om in contact met de mensen te komen, ik kon goed meeouwehoeren over de rookworst van de c100.

Ik stond op een dag te praten, over dikke Chlorix of zoiets,

Ik hoorde mezelf praten. Ik stond te luisteren naar mezelf en ik dacht:

"Ik ben mezelf niet, of al die jaren niet geweest. Ik ben de Gangmaker op het verkeerde feest, de fles voor de verkeerde geest, het hok voor het verkeerde beest."

Die overbuurvrouw, die me zo zou missen, omdat ik altijd zo blij liep te klappen, en die overigens nog steeds denkt dat mijn vrouw mijn zus is, die zei ook nog:

"Als je verhuisd bent wil je me zeker niet meer kennen?"

Ik wist niet wat ik moest zeggen.

Ik wil net weer naar binnen lopen, want we waren hier met die dozen bezig, en ik hoor: boem boem boem boem, een bekende tred. Ik zeg:

"Hallo, lang geleden, hoe is het met jou?"

En die overbuurvrouw:

"is dat je broer, omdat hij ook wat heb."

Ik zeg: "kom even binnen. Ik kan je niets te drinken aanbieden, de drank is al ingepakt."

Wij gaan hier zitten, op de dozen, en ik vertel hem hoe het met mij gaat, dat ik destijds met mijn studie gestopt ben.

Hij zegt: "Gogogogogogogogogogoh. Loop ik voor jou mijn poot uit mijn lijf, stop je."

Ik zeg: "ja, het was eigenlijk niets voor mij, ik wilde liever kunst maken dan het ontleden. Ik ben nu cabaretier."

Hij zegt: "Ja, dat weet ik, ik zat gisteravond bij je in de zaal. Je deed me wel aardig na."

"Vond je dat niet erg?"

"Nee, je mag Philip Freriks toch ook nadoen, waarom mij dan niet."

Ik vertelde hem dat we morgen gaan verhuizen, naar een stiltegebied. Hij zegt: "bel me is, dan maken we een lange wandeling. Mijn telefoonnummer is 2222222. Kon ik kiezen. Ik laat hem uit en daar stond nog steeds die overbuurvrouw, en ze zei weer, nou wil je me zeker niet meer kennen, en toen durfde ik het pas te zeggen, nee. Het is hier gedaan, ik wil nou wel eens wat anders horen, deze buurt is zo plat, heeft geen poëzie. Poëzie hier in de buurt is: "Appels van Hennie, goedkoper kennie. Ik wil het geouwehoer niet meer horen, het is hier zo beklemmend. Ik heb het twaalf jaar geprobeerd, maat ze blijven mij hier toch zien als de buurtdebiel.

Wij gaan het opnieuw proberen, weg met dat oude huis, een nieuwe eeuw, een nieuw geluid, ik wil ruimte in mijn kop en ruimte om me heen, ik wil vogels horen, die kankeren niet, die vertellen mij wanneer de zon opkomt.

k weet Een ding zeker, er is stilte in het nieuwe huis, en daar ga ik van genieten. Want in stiltes is zoveel te horen

D’eeuwige echo van dat wat ooit was

Het mompelen der doden

De lach van vertrokken geliefden

Het groots rumoer van dagenlange feesten

’t getsjoek van treinen vol herinnering

het zacht gebulder van oude stormen

die na zoveel jaar niets meer zijn dan een vlaag

schoenen, die al jaren niet meer lopen,

hoort men nog over ’t plaveisel gaan

stiltes vullen leegtes in de tijd.

 

Zo, en nu ga ik eerst die bestekrotzooi allemaal opruimen, en dan ha ik mijn bed maar eens opzoeken. (geluid van minidisc, telefoon). Nee, ik ga niet meer zoeken, ik ben niet meer thuis.

(aan bas)

HUIS

 

Ik zal nooit mijn kop meer stoten tegen jouw deur

En jij bent eindelijk verlost van mijn eeuwige gezeur

Over rotte vloeren en jouw dak dat altijd lekt

Over slakken in jouw keuken daarover brak ik vaak mijn nek

Over het tikken en het suizen in jouw buizen

Het spijt me, we gaan nu echt verhuizen

Je bent ontkleed, je bent zo, zo leeg, zo kaal

En je mooie kamer klinkt als een kathedraal

Er hangt geen jas meer aan je kapstok geen gordijn meer voor je ramen

En jouw voordeur draagt niet langer onze namen

Piep nog eens, met je roestige scharnieren

Blaas nog eens wat wind door je kieren

Klapper nog een laatste keer met je ramen

Laat het nog eens regenen, in je tuin met wilde bramen

Ritsel nog een keer, met je muizen

Je moet het snel doen, want we gaan nu echt verhuizen

Dag deur, dag vloer dag dak

Dag muur, dag muis, dag slak

Dag huis, dag huis, dag thuis

Kraak nog een keer, met je buren

Laat me nog iets horen door je muren

Gorgel nog een keer met je riool

Ruik in je keuken, nog een keer naar boerenkool

Dag plee, dag kraan en dag fornuis

Dag huis, dag huis, dag thuis.