EEEN SLAPELOZE BOFNACHT

 

De bof raast door de Bible Belt. De zin wil mijn hoofd maar niet verlaten. Ik voel aan mijn wangen, ik meen dat ze opgezwollen zijn. Niet dat ik op de Bible Belt woon, maar in mijn tijd werd je nog niet ingeënt en ik heb in mijn jeugd nooit de bof gehad.

Misschien is hier wel iemand uit de Bible Belt in de buurt geweest, die de bof naar ons dorp heeft medegenomen, je weet het niet.

Bidden helpt niet tegen de bof, weet ik, anders raasde de bof niet door de Bible Belt.

Wat moet ik doen? Ik draai me op mijn andere zij. Ik weet niet waar ik mijn handen moet laten, mijn handen met die lange armen eraan. Nou slaap ik toch al bijna drieënveertig jaar, ik heb er nooit problemen mee gehad.

Ik ga op mijn rug liggen. Mijn vrouw wordt wakker.

"Wat is er," vraagt ze met haar liefste krakende bedstem.

"Ik heb de bof," zeg ik.

"Hoe kom je daar nou bij?"

"Die raast over de Bible Belt en ik heb nooit de bof gehad." Ze knipt het licht aan, kijkt naar mijn wangen, legt haar handen erop, kust ze en zegt: "nee hoor."

Het licht gaat weer uit en ze slaapt door. Ik niet, want ik weet nog steeds niet waar ik mijn handen moet laten.

Ik sta op, dit wordt niks meer, loop naar beneden en ga in mijn ochtendjas buiten op de veranda staan. Een lauwe oostenwind waait vanuit de Bible Belt langs mijn gezicht. Langzaam kom ik tot mezelf. Ik zwaai mijn armen langs mijn lichaam heen en weer, adem diep de frisse lucht in en glimlach om mezelf.

Het was de bof niet, ouwe hypochonder, denk ik. Het is de lente, ik heb er zin in! In het leven, in de liefde, vandaar dat ik niet wist waar ik mijn handen moest laten. De merels vallen mij bij, de heggenmussen, de groenlingen, de mezen, ze dachten allemaal dat ze de bof hadden, maar nu weten ze het, het is de lente, ze hebben de lente.