WAT KUNNEN TURKEN TOCH MOOI TOETEREN
Voor het eerst sinds een week had ik afgelopen zondag een vrije avond. Dus dacht ik: eindelijk, voetbal! Tsjechie-Turkije, dat kon wel wat worden. De Turken moesten winnen, ze waren de underdog, dan zijn ze op hun best. Voetbal volg ik via de radio, dus ik had zowel de Nederlandse radio aanstaan als een Turkse internetzender. Mijn kabelbedrijf, dat blijkbaar Ziggo heet, ik dacht altijd dat ik bij Casema zat, had net op tijd weer signaal beschikbaar dus daar zat ik, met gespitste oren, te wachten op de eerste goal.
Niet dat ik Turks ken, maar aan de toonhoogte van de stemmen van de verslaggevers, en aan de spanning die ze in hun woorden leggen, is veel te horen.
De spanning was er niet. De Turkse radiomannen klonken bezorgd en bang.
Na een half uur was het de Tsjechische spits Koller, die ongeveer twee keer zo lang is als de gemiddelde Turk, die met een knikje van zijn hoofd voor 1-0 zorgde. In de tweede helft werd het zelfs 2-0. Ik zette mijn radio en computer uit. Dat had ik nooit moeten doen. Ik heb het Turkse kwartiertje gemist. Maarliefst 3 keer scoorden ze, en ondertussen werd hun doelman ook nog eens uit het veld gestuurd met een rode kaart. Getergd zijn Turken altijd op hun best, dat bewezen ze vorige week al, toen ze op het nippertje van Zwitserland wonnen. Ik was toen in Haarlem, alwaar een colonne toeterende en schreeuwende Turken door de stad reed. Ik hou van die mooie, spontane vreugde. Als wij, wij van de EU, nou eens keihard zeggen: jongens, Turken, jullie mogen de EU niet in, nou, reken maar dat ze dan opeens keihard gaan werken om toch te winnen. Het toeterconcert dat dan volgt, dat wil ik heel graag horen.