Vincent Bijlo
EEN OUD-HOLLANDS KOEK EN ZOPIETAFEREELTJE
We stonden langs het schaatsbaantje in het dorp. Er lag sneeuwvrij, veilig ijs, IceSave, dat was het.
Het was lekker koud, met zon.
Er hing een soort koorts in de koude lucht. Geen Elfstedenkoorts, de Tocht der Tochten giet nog lang niet oan, Henk Angenent, winnaar van de vorige, zakte bij het verkennen van de route door het ijs. En we weten allemaal: Angenent door ’t ijs, dan is ’t om te schaatsen niet wijs. Henk in een wak gereden, voorlopig geen Elfsteden. Dit ijs is geen ijs, het lijkt meer op ijstaart, dus dat wordt klunen langs de Bonkevaart.
Er hing een soort opwinding inde lucht die met schaatsen niets te maken had. Men zwierde en zwaaide over het ijs en af en toe wees men, zei mijn vrouw, naar mij. We hadden geen idee waarom. Omdat ik niet schaatste? Er stonden meer mensen langs de kant zonder ijzers onder hun schoenen. Ik kan niet schaatsen. Ik heb het ooit geleerd op Friese Doorlopers die met riempjes zo strak aan mijn schoenen werden gebonden dat ik na vijf minuten niet meer wist of ik nog voeten had.
Toch zwikte ik vaak, na een kwartier stond ik met mijn zolen op het ijs en de Doorlopers bungelden lullig bij mijn enkels, als een paar mislukte klapschaatsen.
Wat kon het zijn, waarom men zo naar mijn wees? Ik trok mijn muts nog wat dieper over mijn voorhoofd, ter bescherming tegen de snijdende wind. Toen hoorde ik mensen tegen elkaar fluisteren: "pssst, hij staat op de lijst."
"Bel jij 112 of zal ik het doen?"
"Doe jij het maar, ik heb te koude handen. Dino heet hij, Dino S, hij is heel gevaarlijk."
Toen trok ik mijn muts van mijn hoofd. Er sloeg een golf van teleurstelling door de menigte. Jammer, het was Bijlo maar, en geen zware crimineel.