Op tafel ligt een pen. Een pen waarop het telefoonnummer, huisadres en mailadres van Driek van Wissen staan.
Oja, Driek, dacht ik af en toe, die zal ik toch eens mailen. Ik vond Driek namelijk altijd zo’n gezellige man, zo’n gemoedelijke man. Ik leerde hem 20 jaar geleden kennen, toen we samen in het panel van Ivo Niehe’s radioprogramma Binnenlandse Zaken zaten. Dat was nog in de tijd dat je cafés blauw mocht zetten met rook. Zo’n sigaar van Driek bleef dagenlang in je kleren hangen.
Ouderwets, dat was hij ook, alsof hij zo uit de negentiende eeuw was weggelopen. Hij had een mooie, ronde, joviale stem.
Zijn gedichten waren onberispelijk van vorm. Altijd rijm, veel sonnetten.
Bijna oubollig, nee, toch ook weer net niet. Een lieve, geestige heer, dat was Driek, met originele vondsten. De koning van het lichte vers.
Ik zat te spelen met die pen van Driek toen de radio meldde dat hij overleden was.
De dood komt altijd als je hem helemaal niet verwacht.
Ik was verbijsterd. Op een vliegveld in Istanbul was hij onwel geworden, in een ziekenhuis was hij even later gestorven, aan de gevolgen van een hersenbloeding. Ik legde Drieks pen neer en dacht: Wat zou Driek daar zelf voor sonnet of sonnetette over hebben gemaakt?
Ik begon rijmwoorden te zoeken op Istanbul, Turkije, vliegveld, van Wissen.
Zou het nieuws zich soms vergissen
In de dood van Driek van Wissen…
Nee, laat ik hem niet imiteren, hij was authentiek in zijn vormvastheid, in zijn lichtheid, in zijn jovialiteit. Hij is vaak weggezet als rijmelaar en sinterklaasdichter, maar voor mij was hij toch vooral een warm, geestig, licht mens.
Driek Van Wissen, ‘k zal je missen.