Vincent Bijlo

 

HET JAARLJKS TERUGKERENDE KERSTGESPREK

 

"Je praat niet met een kalkoen over Kerst," zei de man tegen zijn vrouw, "dat doe je niet, zoals je ook niet met een haas over Pasen spreekt. Maar met jou mag ik er toch wel even over praten? Waarom zeg je niks, je ondergaat elk jaar die Kerst alsof het een soort kwelling is die je moet doorstaan, maar dat hoeft helemaal niet."

Zijn vrouw bladerde grimmig in de Kerst-Allerhande. Er viel een kerstbal uit de boom, pats, kapot op de plavuizen.

"Wat wil jij nou echt het liefste doen met Kerst," zei hij. Hij legde zijn hand op de hare. Hij glimlachte al om wat ze zometeen zou gaan zeggen. Hij zag het al helemaal voor zich. Zij, met zijn tweeën, de hele dag in bed. Boeken, radio, kerstseks en af en toe even naar beneden om iets te eten en te drinken te halen.

Geen lollige zwagers, geen boze vaders omdat er geen vlees op tafel kwam, geen zure moeders die zich stoorden aan de rommelige huiskamers. Nee, niets, allen zij en hij, in een cocon van warmte. Zonder Sky Radio kerstgeklingel, zonder dat eeuwige welbehagen dat al na het vierde glas wijn omsloeg in gekijf, zonder die gewapende vrede. Zijn vrouw zei niets. Ze streepte een voorgerecht aan, geitenkaas met honing en pijnboompitten op een bedje van rucola. Niks bedje van rucola, dacht hij, een echt bed.

"Hee," zei hij, "ik vroeg je wat."

Ze trok haar hand van onder de zijne vandaan en zei: "en dan doen we cassisijs toe."

"Schat," zei hij, "ik vroeg je wat."

"Jij wilt niet weten," zei ze, "wat ik het liefste met Kerst zou doen… Laten we gewoon doen wat we aaltijd doen, Eerste Kerstdag jouw familie, Tweede Kerstdag de mijne."

En zo werd het weer een gezellige Kerst, waarin de stiltes het meeste zeiden en hij wel tien keer overwoog om weg te lopen, hij deed het weer niet, zoals elk jaar.