Vincent Bijlo

 

HET MOOIE VERHAL VAN TWEE PADDEN IN DE LENTE

 

De pad werd wakker van de lentewekker. "Hèhè, ha," hij rekte zich uit. "Ik heb een beetje te diep geslapen denk ik, godsamme, het duurde ook wel erg lang dit keer, ik heb er een droge bek van gekregen. Beetje pijn in mijn kop, au, en een honger zeg, tijd niets gegeten. Een paar wormpjes, tapas der natuur, daar zeg ik geen nee tegen."

Hij kroop uit zijn winterhol. Het voelde buiten warm aan. Hij haalde diep adem en keek om zich heen. Hij knipperde met zijn ogen tegen de zon. Op onvaste paddenpoten liep hij bij zijn holletje vandaan. Hij keek nog een keer om. Toen schraapte hij zijn keel, hij had al maanden niets gezegd, en kwaakte: "Dag holletje, het was lekker, dank voor de beschutting."

Een wormpje schrok van de schorre paddenkwaak, maar het was al te laat. Hap, deed de pad. "Lekker gemarineerd zeg, dit jaar," zei hij. "Het wordt een mooie lente, dat voel ik."

Toen zag hij haar. Ze zag er uit alsof ze al wat langer wakker was. Ze kwam dansend op hem af.

"Hee pad," zei hij, "hee pad," zei zij. "Zullen wij… zullen wij… heb je zin in nog een paar wormpjes? Ik heb een leuke tapasbar gevonden, daar hebben ze ook lekkere andere kleine ongewervelden."

Even later zaten ze in een hoekje van de tapasbar op een bankje naast elkaar gefrituurde insecten te eten. Steeds dichter en dichter kropen ze tegen elkaar aan. Steeds zachter werd de toon van hun gesprek. Ze dronken paddenwijn, aten paddenstrudl en werden verliefd.

Wat een lente, dacht hij. Wat een lente, dacht zij. Na het eten liepen ze ineengestrengeld naar een poeltje. Daar kusten ze elkaar, en ze werden prins en prinses.