Achttienhoog
Van Vincent Bijlo verscheen eerder bij De Arbeiderspers:
Het Instituut
Vincent Bijlo
Achttienhoog
Roman
Uitgeverij De Arbeiderspers
Amsterdam * Antwerpen
Copyright © 2001 Vincent Bijlo
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van
BV Uitgeverij De Arbeiderspers, Herengracht 370-372, 1016 CH Amsterdam. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission from BV Uitgeverij De Arbeiderspers, Herengracht 370-372, 1016 CH Amsterdam.
Omslagontwerp:
UNA (Mijke Wondergem), Amsterdam
ISBN
90 295 0405 6 / NUGI 300
Voor Han en Heleen Bijlo
Tientallen decibels afkomstig van honderden aankomende studenten donderden mijn oren binnen. Het klonk hetzelfde als zes jaar geleden, in de brugklas van de middelbare school, alleen de toonhoogte was een octaaf gezakt en de schoolaula verruild voor een kerk. Maar de opwinding, ook bij mij, was dezelfde.
De woorden van de rector magnificus, die als eerste tot ons sprak, verdronken in de nagalm van zijn eigen stem. "Maatschappij" en "verantwoording" hoorde ik hem een paar keer zeggen.
De loco-burgemeester, die vervolgens de kansel betrad, onderging hetzelfde lot. Waarom overigens de loco, had de echte geen tijd, of vond hij ons niet belangrijk genoeg? Had hij soms bedacht: "Ach, die nieuwe studentjes, dat kan ik met een gerust hart aan de loco overlaten." De loco bakte er niets van, hij zag blijkbaar aan de reactie van de studenten dat hij niet te verstaan was, want hij verhief zijn stem, waardoor de nagalm nog harder werd. Mensen begonnen te fluisteren, te mompelen, te praten, te lachen en te schreeuwen, tot de loco het voor gezien hield en ons, dat verstond ik wel, een fijne studie wenste.
Op het plein voor de kerk, dat overigens Janskerkhof heette, hoewel er nog geen doden lagen, stonden onze mentoren al klaar.
"Ach, wat schattig," zei mijn moeder, die mij aan mijn arm naar buiten leidde. "Ze houden papieren bordjes met nummertjes omhoog. We zullen eens even voor je kijken,
A18, daar moet ons jongetje heen.""U bent bij de verkeerde groep," zei
A18 tegen mijn moeder. "A65 is voor de seniorenstudenten.""Nee," zei mijn moeder, "ik kom alleen maar Otto hier afleveren." Otto, het pakketje dat ging studeren, dat was ik.
"Dag jongetje," zei mijn moeder, aaide over mijn hoofd en fluisterde in mijn oor dat ik "een beddekoetsje voor de nacht" moest regelen en haar morgen even moest "optelefoneren". Toen verdween ze in het studentenstemmenorkest.
"Dag," zei
A18, "ik ga je een hand geven. Ik ben Trijntje." Ze pakte mijn hand en zwengelde die langdurig op en neer."Hier heb ik de introductiekrant, daar staat alles in wat je kunt gaan doen deze week."
Ze gaf mij een krant die ze onmiddellijk weer uit mijn handen trok.
"O nee, sorry, ja, nee, het is ook zo, ja moeilijk, ik ga nooit met zulke mensen, hè dat bedoel ik niet, er is geen braillekrant, maar we lezen hem wel voor, als je me stom vindt moet je het gewoon zeggen, hoor."
Ik zei dat ik haar niet stom vond en dat je zo'n krant toch niet voor één iemand in braille omzet, en zo bazelde ik nog even door, net zo opgewonden als al die anderen. Intussen kwamen er meer mensen om ons heen staan, en langzaam kwam
A18 tot het gewenste aantal leden, tien, dat hadden er eigenlijk elf moeten zijn, maar er was er een niet komen opdagen, die had in de trein al heimwee gekregen.Eerst moesten we elkaar leren kennen, op Trijntjes kamer.
"Loop maar achter mij aan," zei Trijntje. "Hoe doe jij dat eigenlijk, moet ik jou vasthouden, of jij mij, nee zeg maar als je me stom vindt maar ik weet niet, of..."
Zou dat de hele introductieweek zo doorgaan, vroeg ik me af, terwijl ik mijn arm in die van Trijntje haakte. Ze had wel een prachtige stem. Ze praatte op een lage toon, met een volle, warme klank. Beng, daar had ik mijn eerste paaltje al te pakken.
"Oo," zei Trijntje, "ik ben niet gewend om..., sorry, doet het pijn?"
"Nee," zei ik, en ik voegde daaraan toe dat het toch geen enkele zin had om voor één iemand zo'n paaltje te verplaatsen. Ze hoorde het niet, want ze dreigde nu al een paar mentorkinderen te verliezen. Gelukkig was haar kamer vlakbij, we waren nog compleet toen we er aankwamen.
Een menselijke knoop leggen, dat was ons eerste kennismakingsspel. We moesten dicht tegen elkaar aan gaan staan en onze armen in elkaar draaien, dan zouden we elkaar leren kennen. Ik rook sportlifekauwgom, lipstick, deodorant en zweet, maar welke geur bij wie hoorde en welke naam daar weer bij hoorde werd me niet duidelijk.
Toen moest iedereen in een kring gaan zitten en kort iets over zichzelf vertellen. Men hield stotterend uitgesproken, verlegen, bijna niet te verstane relaasjes. Alleen de jongen die naast mij zat en ook Otto heette, kon ik goed verstaan. Hij sprak vastberaden.
"Ik heb heel lang getwijfeld over wat ik moest gaan studeren, maar nu weet ik het, filosofie. Ik ben voorbestemd de nieuwe Kant te worden."
De nieuwe Kant, toe maar, ik was geïmponeerd, maar blijkbaar als enige. "Kant, kant," hoorde je iedereen denken. "Wat is dat, de nieuwe kant." Niemand durfde iets te vragen. Toen was ik aan de beurt.
"Ik ben Otto Iking, en ik ga Nederlands studeren, want ik wil graag een groot literair journalist worden."
"Jij," zei Otto Kant, "een groot literair journalist, laat me niet lachen, kerel." Zijn stem klonk honend.
Wacht jij maar eens af, dacht ik, maar ik zei niets.
We gingen krantjemeppen. Dat was het spel om elkaar te leren kennen. Iemand ging in het midden van de kring staan met een krant; die riep zijn naam en de naam van iemand uit de kring; dan moest degene wiens naam geroepen werd snel de naam van iemand anders roepen; en ondertussen kwam de persoon met de krant dreigend op hem of haar af. Was er niet op tijd een andere naam geroepen, dan kreeg je een dreun met de krant en moest jij in het midden. Natuurlijk riep Zeno, die niet-westerse antropologie ging studeren en als eerste in het midden stond meteen Otto. Waarop Otto Kant en ik tegelijk weer Otto riepen, waardoor Zeno heen en weer jojode tussen beide Otto's. Helaas werd dit leuke spel al na dertig seconden door Trijntje onderbroken, we moesten ook eens de naam van iemand anders roepen, anders was het flauw.
Nu kwam ik in problemen. Ik had al die namen niet verstaan, behalve die van Zeno en die stond in het midden, en die kon zichzelf onmogelijk met die krant op zijn kop gaan meppen. Er zat maar een ding op. Ik trok mij terug onder mijn stoel. Nu wist iedereen wie ik was. Toen het sein "veilig" was gegeven en ik zeker wist dat het krantenbombardement voorbij was, kroop ik onder mijn stoel vandaan.
We gingen de stad verkennen. Ik liet me door Trijntje gewillig meevoeren door Utrecht. Utrecht was vol, en druk, nergens zijn zoveel bussen als in Utrecht, en Utrecht was stil, en klein, nergens zijn zoveel steegjes als in Utrecht. We beklommen de Domtoren, en Trijntje beschreef het panorama, met die mooie stem. Een stem, die zelfs als zij het woord "prullenbak" uitsprak, van dat object nog een prachtig kunstvoorwerp maakte.
De triviale werkelijkheid nam weer bezit van ons terwijl wij naar beneden wentelden. Ik trapte op de rok van een meisje dat voor mij liep, de rok scheurde. Ik stootte meerdere malen mijn hoofd, verstapte me een paar keer en kwam in botsing met een andere introductiegroep die naar boven kwam.
Met trillende knieën kwam ik beneden, maar rust werd mij niet gegund, introductie was introductie en betekende in de rij staan voor het eten. Wij moesten bij studentenverenigingen eten, elke avond, dan zouden we ons daar thuis gaan voelen en zelf kunnen kiezen of we, en zo ja van welke vereniging wij lid zouden worden. Ik wilde niet bij een vereniging, dat wist ik al heel zeker, want wat moest een groot literair journalist bij een vereniging, maar ik moest wel eten.
En zo stonden wij, als wachtenden voor een gaarkeuken, gelaten in de rij voor het Utrechts studentencorps voor meisjes, waar ook jongens mochten eten.
"Ik geef je even aan iemand anders," zei Trijntje, die nog steeds naast mij liep.
Het pakketje Otto werd doorgeschoven.
"Ik ben Zwanneke," zei een meisje met een nare, penetrante stem. Ze omklemde mijn arm zo hard, dat ik het bloed uit mijn hand voelde wegtrekken.
"Het was mijn rok, waarop je stond, net, maar het zij je vergeven."
Het zij je vergeven, wat een officiële taal.
"Is hij nou kapot, je rok?" vroeg ik, en stelde me voor dat ze nu naast me stond, gehuld in repen stof, die langzaam langs haar benen naar beneden zakten.
"Nee, alleen de zoom is gescheurd."
Mijn hand viel intussen bijna van mijn arm, mijn vingers tintelden alsof ze bij strenge vorst al uren onbeschermd in de wind hingen.
"Een beetje een rare vraag misschien," zei ik, "maar zou je mijn arm even willen loslaten?"
Ze deed het, gelukkig, zonder iets te zeggen, en ik wilde dat ik ergens anders in de rij stond. Iemand pakte mijn andere arm en begon mij naar achteren te trekken.
"Ik ga je even redden," zei een stem in mijn oor. "Dat is geen meisje voor jou, verschrikkelijk trutje."
De stem bleek van Zeno, die niet-westerse antropologie ging studeren. Dat moest je ook wel gaan studeren, als je zo'n naam had.
"Ja," zei hij, "ik zag je daar zo staan, en toen dacht ik, joh, dacht ik, jij bent helemaal niet zo'n jongen voor zo'n meisje met zo'n christelijke lange rok die gescheurd is. Ik ga jou verlossen, dacht ik, verlossen van haar die in de Verlosser gelooft."
Dat was mooi gesproken. Hij had een gezellige jarenzestigstem, hij rekte alle klinkers heel ver uit, Zeno werd Zeeno.
"Maar," ging hij door, "het moet dus wel verschrikkelijk zijn om, zoals jij dus, hé blinde voooogel, om dus niet te kunnen kiezen met wie je dus omgaat. Want je kan ook niet kiezen dat je met mij om wilt gaan, want je ziet mij niet."
Ik rook hem wel, hij rook ongewassen, maar wel gezellig, zo'n ouwerwets linksige bedgeur hing er om hem heen.
"Want ik dus, Zeeeno, kan jou wel wegtrekken bij dat meisje, maar of je dat echt wilt, en of je dan vervolgens ook nog wilt dat je dan met mij omgaat, dat is nog maar helemaal de vraag. Want, hoe zit dat nou eigenlijk, wat vind jij eigenlijk van mij?"
"Tsja," zei ik, "wel leuk."
"Wel leuk, wel leuk," mompelde Zeno terwijl wij langzaam de ingang van het meisjescorpsgebouw naderden.
Na drie kwartier stonden we eindelijk binnen. Het had niet veel langer moeten duren, mijn benen begonnen slap te worden van het lange staan. Ik botste tegen een massieve wal van geluid, opgebouwd uit ratelende dienbladen die gestapeld werden, kletterend bestek, rinkelende borden, en talloze aanstaande-studentenstemmen.
Slechts één stem was te herkennen, het nare penetrante stemgeluid van Zwanneke sneed als een scherp mes dwars door de geluidsmuur. Ik kreeg een dienblad in mijn handen gedrukt, dat ik moest voortschuiven over een railsje, en iemand, waarschijnlijk een corpsmeisje, kwakte iets op mijn bord dat op het dienblad stond.
"Pils!" hoorde ik Zeno roepen.
Ik riep maar "ja," in de hoop dat hij het tegen mij had. Ik werd naar een tafel geduwd, en na wat voelen en prikken kwam ik er achter dat er een stuk vlees, patat, en sla op mijn bord lagen. Ik wist niet wie er naast mij zat, wie er tegenover mij zat, ik hoorde niet wat ze zeiden, misschien waren ze wel tegen mij aan het praten. Gelukkig rook ik Zeno, hij moest zich voorlopig maar niet wassen, aan zijn geur had ik veel steun. Ik hoorde iemand mijn naam roepen, maar ik wist niet wie het was die mij riep, ik wist niet waar hij zat, ik wist niet eens waar ik zelf zat. Ik kauwde en kauwde mijn vlees, het leek me taaie biefstuk, ik hoorde nog een keer mijn naam, kauwde en kauwde, en wilde weg. Niet naar huis, dat nooit, maar naar een plaats waar het stil was, waar ik kon praten, waar ik de mensen kon laten horen wie ik was.
Ik ontdekte een bakje in een hoek van mijn dienblaadje, ik doopte er een patatje in, maar het was geen mayonaise, het was vla. Ik hoopte dat niemand het had gezien. Ik kauwde net zo lang tot mijn bord leeg was, at mijn vla met mijn vork, een lepel was er niet, en vond ook nog een glas bier, in een andere hoek van mijn dienblaadje, Zeno had het inderdaad tegen mij gehad toen hij "pils" riep. Nu was ik klaar met eten, ik wachtte, en probeerde stemmen te herkennen die tot mijn mentorgroepje behoorden.
Er werden stoelen naar achteren geschoven, men stond blijkbaar op, ik deed dat ook. Het werd rustiger om mij heen, langzaam begon ik mensen te verstaan, maar hun stemmen kwamen me niet bekend voor. Iedereen van mijn groepje was weg, iedereen had zich natuurlijk al vol overgave op het avondprogramma gestort en was die suffige Otto, die niet reageerde als je zijn naam riep, allang weer vergeten.
"Hé blinde vogel, wat sta jij daar te mediteren? Ons groepje is weg, gone, weet je wel, zullen we ergens gaan blowen?"
Wat was die Zeno toch een fijne man. Ik had nooit geblowd, maar dat kwam eigenlijk alleen maar omdat ik nooit de gelegenheid had gehad, en niet bij machte was op eigen kracht naar de koffieshop te gaan, er was geen stokloopleraar op de hele wereld te vinden die mij de weg daarheen wilde leren. Het leek me een daad om op mijn eerste introductiedag in Utrecht ingewijd te worden in het drugsgebeuren.
"Ik weet een tent," zei Zeno, "Mosrenda, zal ik je daarheen eh dirigeren?"
We liepen samen naar buiten, een warme nazomermotregen daalde op ons neer, en ik was blij dat ik de hel van herrie, die het meisjescorpsgebouw was, achter me had gelaten.
"O, shittepetit," zei Zeno na vijftig meter, "daar zijn ze weer."
Het ging niet door, het blowen, wij werden weer opgenomen in Trijntjes mentorgroep en mijn arm werd weer omsloten door de bankschroefhand van Zwanneke. Zeno droop af, "sorry" mompelend.
"Je moet niet met die jongen omgaan," zei Zwanneke. "Hij is een handlanger van de duivel."
Dat klonk goed.
"Jij ziet niet hoe hij eruit ziet," ging ze door, "jij weet nooit met wie je omgaat."
Zij was al de tweede die dat zei vandaag, maar als ik mocht kiezen, dan ging ik liever met een handlanger van de duivel om dan met een handlanger van God. Ik durfde niet kwaad op haar te worden, bang als ik was dat ze me zou laten staan. Afhankelijkheid maakt onmondig.
"Laat hem toch zelf kiezen," zei een stem achter ons, die ik herkende als die van de andere Otto, die voorbestemd was de nieuwe Kant te worden. "Er gaat immers niets boven de persoonlijke keuzemogelijkheden van het individu!"
"Hij kan niet kiezen," riep Zwanneke terug, "hij ziet niets."
"Ook zij die niets zien, kunnen kiezen," zei Otto Kant, "kiezen is een kwestie van de geest!"
In verwondering hoorde ik het aan. Ik was nog maar nauwelijks aan mijn introductie begonnen en ik hoorde een soort dialoog die ik nog nooit gehoord had.
"Keuzes," zei Otto Kant, "mogen nooit gebaseerd zijn op vermeende zieligheid of medelijden."
Ik moest nu zelf ook maar eens een duit in het zakje doen.
"Ach," zei ik, "wat heb ik te kiezen. Ik, die de weg hier niet ken, ik, die zich als een handkar laat voortduwen, door straten, bevolkt met onwetende sukkels, die geestelijk nog kreupeler zijn dan de gemiddelde Troskijker."
Otto Kant bulderde van het lachen. "Reik mij de hand kerel, dat is mooi gezegd."
Hij gaf mij een stevige vijf. Zwanneke wendde zich sissend af.
"Dat was Shakespeare," zei Otto Kant, "behalve die Troskijkers dan.
"Ja," zei ik. Niet dat het Shakespeare was, het was gewoon een door mijzelf verzonnen monoloogje, maar ik wilde hem niet teleurstellen.
"Ken je het hele oeuvre uit je hoofd?" vroeg hij.
Ik had alleen Romeo and Juliet gelezen.
"Ja," zei ik. "En jij?"
"De komedies niet, daar staan zoveel trivialiteiten in."
"Wat gaan we eigenlijk doen?" vroeg ik. We liepen door een wirwar van straatjes en steegjes.
"Vanavond," zei Otto Kant treurig, "moeten we naar het cabaret."
Ik hield erg van cabaret, maar dat zei ik niet.
"O," zei ik, "dan hoop ik maar dat het wat is."
"Waarschijnlijk niet," zei Otto Kant, "margeprutsertjes zijn het allemaal."
Otto Kant had gelijk. Het was nog erger dan hij vreesde, deze prutsertjes prutsten in de marge van de marge. Ik werd zo verschrikkelijk melig van de stuitend flauwe woordspelingen, dat ik de slappe lach kreeg.
Otto Kant was hierdoor diep beledigd.
"Dit valt me zwaar van je tegen, kerel," sprak hij.
Ik was niet bij machte uit te leggen waarom ik zo moest lachen, ik stikte er bijna in, en Otto Kant verliet boos de zaal.
Dat gaf de flauwe cabaretiers de indruk dat ze iets shockerends hadden gezegd. Hoei, wat waren ze trots. Ze begonnen nu zelfs zelf te lachen om hun grapjes.
In de zaal werd het steeds stiller, na verloop van tijd was ik nog de enige die, ongecontroleerd hikkend, lachte. Het leek wel alsof ik inderdaad geblowd had. Er waren veel momenten in de conference waarop ik dacht, nou, flauwer kan het echt niet, maar het bleek nog veel flauwer te kunnen. Het was buitengewoon knap. Na afloop voelde ik me, zoals ik me ook wel eens voel als ik gehuild heb, opgelucht, bevrijd.
Buiten troffen we een woedende Otto Kant.
"Dit niveau is lager dan laag," tierde hij. "Wie hierom durft te lachen is geen enkele studie waard."
Ik probeerde het hem uit te leggen.
"Kijk," zei ik, "het gaat hier om de negatieve kwaliteit. De kracht van de antikwaliteit, die zichzelf verheft."
Hij was er stil van. "Zou dat de bedoeling zijn?" vroeg hij ongelovig.
"Natuurlijk," zei ik, en we gingen naar een feest. Alle studentenverenigingen hielden de hele week open huis, zodat wij ze konden leren kennen. Zolang we maar niet naar het meisjescorps gingen, vond ik alles best.
Wij belandden bij
SSR NU. Een christelijke vereniging. Wat was dat toch de hele tijd met die christenen? Ik wist niet dat er nog zoveel waren. Er was een laf jazzbandje waaraan niemand zich en buil kon vallen, muziek die ze in de jaren twintig al hopeloos oubollig vonden.Het viel me wat tegen, tot nu toe, de algemene introductie. Ik had verwacht dat ik in de grote stad Utrecht met vrije, ontwikkelde geesten in aanraking zou komen.
Het werd een ware ontgroening, die avond bij
SSR NU. Zwanneke kwam naast me zitten."Ik weet," zei ze, "hoe het komt dat jij blind bent."
Daar hoorde ik van op. Mijn blindheid is het gevolg van een zeer zeldzame genetische afwijking.
"Daar heeft de Heer een bedoeling mee gehad. Hij heeft je ouders op die manier willen straffen voor de zonden die zij begaan hebben."
Nou is het inderdaad waar, mijn ouders hebben veel gezopen, geneukt voor het huwelijk en nog veel en veel meer, maar ik had nog nooit bedacht dat hun wangedrag mijn blindheid veroorzaakt zou kunnen hebben.
"Dat kan je allemaal wel zeggen, maar mijn ouders zijn helemaal niet gelovig. Dus hoe kunnen zij tijdens dat neuken voor het huwelijk en dat gezuip van ze, hoe kunnen ze geweten hebben dat dat wel eens een blinde zoon tot gevolg zou kunnen hebben. Dat had dan wel eens op die flessen drank mogen staan, "zuipen veroorzaakt blinde nakomelingen.""
Zwanneke was gek. Hoe was het in jezusnaam mogelijk dat in 1985 dit soort opvattingen nog steeds werden verkondigd.
"Nee," zei ze, "dat had helemaal niet op die flessen hoeven staan, want dat is gewoon zo."
Ik werd kwaad. Dat gebeurt eigenlijk zelden.
"Als die God van jou zou bestaan, dan was het een ongelofelijke sadist. Hoe kun je nou geloven in een God die de mensheid willens en wetens laat lijden omdat ze niet precies doet wat Hij wil dat ze doet."
"God," zei ze rustig, "heeft de mensen voor een aantal beproevingen gesteld."
Met haar was geen gesprek mogelijk. Ze was net zo erg als de jehova's, die een keer bij mij hadden aangebeld, en die hadden gezegd dat er een dag zou komen, waarop ik mijn gezichtsvermogen weer zou terugkrijgen. Ik had toen gezegd dat dat dan wel dezelfde dag zou zijn waarop zij hun gezonde verstand weer zouden terugkrijgen.
"Als dat zo is," zei ik, "van die beproevingen, dan ben jij wel de ergste beproeving waarvoor God de mensheid heeft gesteld. En dan wens ik deze beproevingen niet langer te doorstaan, en wil ik dat jij nu ogenblikkelijk uit mijn oren verdwijnt."
"Ik zeg het alleen maar voor je eigen bestwil," zei ze, "maar ik blijf hier zitten."
Wat moest ik nu doen? Opstaan en door de sociëteit gaan lopen, die ik niet kende en opbotsen tegen misschien nog wel veel meer van die fundamentalistische Zwannekes? Ik rolde een sigaret en deed er het zwijgen toe. Nog nooit had ik zo hevig naar het zicht verlangd, dan zou ik opstaan en linea recta naar koffieshop Mosrenda lopen. Nu begreep ik ook opeens waarom zoveel kinderen van christelijke ouders aan de drugs raken.
Het oubollige jazzbandje was gestopt met spelen, en om mij heen hoorde ik gesprekken over bijbelinterpretaties en over aids, dat dat de straffe Gods zou zijn. Ik was verbijsterd over zoveel geestelijke armoede, en het speet mij verschrikkelijk dat ik mij ooit had ingeschreven voor deze algemene introductie.
"Je mag hier niet roken," geselde de stem van Zwanneke mijn oren.
Ook dat nog.
"Dat geldt niet voor mij," zei ik, "ik kan die bordjes toch niet lezen."
Ik vond het zelf een erg flauw grapje, maar achter me hoorde ik luid gelach. Otto Kant kwam naast me zitten en Zwanneke verliet de stoel aan mijn andere zijde.
"Het is jammer kerel," zei Otto Kant, "dat je haar blik niet kunt zien. Als blikken konden doden was jij nu mors en morsdood geweest."
"Maar in Zwannekes hemel zou ik nooit terechtkomen," zei ik.
"De christelijke hemel," sprak Otto Kant op gedragen toon, "is niet meer dan een bekrompen toevluchtsoord voor eenvoudigen van geest. De hemel verschaft hun een alibi om hier in dit ondermaanse zoveel mogelijk mensen het leven zo zuur mogelijk te maken."
Dat waren woorden naar mijn hart. Ik zou ze onthouden, nam ik me voor.
Het oubollige jazzbandje hervatte zijn spel.
"O when the saints..." zong men vrolijk mee, en ik verstond niemand meer.
"Kom, we gaan!" brulde Otto Kant boven de blije trompetten uit. Hij pakte mijn arm, trok mij van mijn stoel en duwde mij hardhandig de straat op.
"Ik kan hier niet tegen," brulde hij, "ze moeten allemaal dood! Ze zijn helemaal gek geworden met die kutmuziek. Waarom moet dat ons in godsnaam allemaal aangedaan worden. Kom, we gaan naar mijn kamer."
Hij maakte kwaad, rinkelend met kettingsloten, zijn fiets los, en ik ging achterop zitten. Ik was zwaarder dan hij, waardoor we af en toe kleine stukjes op alleen het achterwiel reden.
"Ik wil er niet meer bij horen," zei hij, nog steeds ontzettend boos, "bij dat bekrompen gezeik, en ik neem aan, dat jij er ook zo over denkt."
Ik zei niets, maar ik dacht van wel.
"Hé," riep hij, "je bent het toch met me eens?"
"Jaja," zei ik snel, bang als ik was dat hij me hier midden in het vreemde Utrecht zou achterlaten.
"Nee, natuurlijk ben ik het met je eens, maar..."
"Niks maar," Otto Kant trapte alsof hij de eindsprint in een touretappe moest winnen, "ze steken die hele introductie maar in hun hol, ik wens niet als een debiele christen behandeld te worden."
Vijf minuten zwijgen later remde hij abrupt af en sloeg een krakend grindpad in. Slippend kwamen wij tot stilstand. Ik stapte niet op tijd af, waardoor hij zijn been dat hij achterwaarts over zijn zadel wierp, tegen mij aansloeg. Hij verontschuldigde zich niet, ik verbeet mij.
Hij opende een deur en rende een trap op. Een andere deur sloeg hard dicht. Het zou toch wel de bedoeling zijn dat ik hem volgde? Ik liep naar binnen en botste tegen een fiets op, die op de trap stond. Halverwege de trap raakte ik verstrikt in schoon wasgoed en toen ik bovenkwam, klonk er een enorm gekrijs, gevolgd door een pijnscheut in mijn linkerbeen.
"Sorry," zei Otto Kant, "de kat."
"Moet je jenever?"
Natuurlijk moest ik jenever.
Op zijn kamer, gezeten op stoelen die veel te groot waren voor zo'n kleine ruimte gaf Otto Kant mij een whiskyglas. Ik dronk. Mijn eerste slok was een hele grote, omdat ik verwachtte dat er maar een bodempje in het glas zou zitten, maar het was tot de rand gevuld.
"Zo," zei hij voldaan, "jij lust hem wel."
"Ja," zei ik, die in zijn hele leven nog maar vier, hooguit vijf jenevertjes gedronken had.
"Ik heb nog worst," zei Otto Kant, en hij sprong op en verliet de kamer.
Worst en jenever, Oudhollandser kon het niet, nu alleen nog een sigaar.
"Wil je een sigaar?"
Natuurlijk wilde ik een sigaar. Hij ging weer zitten, waarbij onze knieën hard tegen elkaar botsten.
"Ik kan je wel vertellen," sprak hij met een mond vol worst, "dat het in Drenthe, bij mijn ouders, meer stads was dan hier. Daar ben ik na een dag introductie wel achter. Ik denk dat ik ermee kap, ze bekijken het maar, met hun krantjegemep, hun menselijke knoopjes leggen en hun triviale cabaretjes."
Kappen leek mij geen goed idee. Het zou toch een nederlaag betekenen.
"Ik kan er namelijk niet tegen," ging hij door, "dat mensen zo met jou omgaan, als daar op die christelijke vereniging."
Het verbaasde mij, dat hij zich dat zo aantrok. Wat kon hem dat nou schelen, hij kende mij nauwelijks een dag.
"Je moet ze afpoeieren, die mensen," zei hij, "je bent veel te aardig."
Afhankelijkheid maakt onmondig, dacht ik, dus zei ik: "Ja, natuurlijk, dat zal ik voortaan doen."
Ik dronk jenever, rookte mijn sigaar, at mijn worst en voelde me voor het eerst die dag op mijn gemak. Langzaam werd ik warm van de jenever, en de moed, die ik de hele dag niet had gehad, begon uit mijn schoenen omhoog te komen. Eindelijk kon ik mijn stem weer eens laten horen, eindelijk kon ik het weer eens over iets anders hebben dan over die vervloekte handicap. We spraken over de onzin van geloven in een God. God was door de mensheid zelf bedacht, omdat hij het allemaal niet aankon, omdat hij ervoor paste de schuld van de ellende die hij aanrichtte op zich te nemen. God was niet meer dan de noodrem op het onbestuurbare voertuig dat mens heette. Het geloven in God maakte je tot een geestelijke slaaf, ondergeschikt aan een totalitair heerser, een denkbeeldige heerser, hij bestond immers niet. De mens was slim, kon kernbommen laten ontploffen, zijn eigen aarde duizend keer vernietigen, maar hij was niet bij machte zoiets doms als God uit zijn hoofd te krijgen.
Iemand kwam de kamer binnen.
"Hoi," zei Otto Kant.
"Hoi," zei iemand anders, met precies dezelfde stem en precies hetzelfde accent als Otto Kant.
"Otto," zei Otto Kant, "dit is Fred, mijn tweelingbroer, die woont hier ook."
Ik stak mijn hand uit, die Fred stevig drukte, op zijn Drents, net als zijn broer.
"Hem zul je nog vaak tegenkomen, zei Otto Kant, "hij gaat ook Nederlands studeren."
Met nieuwe jenever brachten we een toost uit op onze studies en Fred stak een sigaar op. Het was griezelig hoe hun stemmen op elkaar leken, het was dat ik wist waar Fred zat en waar Otto, anders had ik ze niet uit elkaar kunnen houden. Fred nam ook deel aan de algemene introductie. Zijn ervaringen deden niet veel onder voor die van ons. Hij had een vlot moeten bouwen, waarmee hij een vijver moest oversteken, en was 's avonds bij een nog christelijker studentenvereniging dan die waar wij waren terechtgekomen.
We besloten met zijn drieën om te stoppen met die waanzin. We konden zelf ook wel de stad gaan verkennen, als dat nog nodig mocht zijn.
Voorlopig niet, het was goed. Er waren sigaren, er was nog jenever, nog worst en er was veel te bespreken. Eindelijk was ik weer iemand.
We werden gestoord door de telefoon. Otto Kant nam op.
"Ja," zei hij, "die is hier."
Het was Trijntje, onze mentor, die zich plotseling hevige zorgen maakte over mijn verblijfplaats. Ik dacht terug aan die stem, die prullenbakken kon betoveren, en ik vond het erg jammer dat ik die nooit meer zou horen.
"Ik zie jullie morgen om negen uur," hoorde ik haar door de telefoon bassen, waarop Otto Kant "ja" antwoordde.
Zo'n Drentse held was hij dus ook weer niet, we gingen morgen gewoon weer met Trijntjes mentorgroep
A18 op stap. Maar eerst moest er nog gedronken worden, omdat Fred dat zo wilde.Na een uur viel Otto Kant in zijn stoel in slaap. Fred en ik aten worst en rookten en dachten na over de toekomst van de mensheid. Het is verbazend hoe snel je met drank tot diepe inzichten komt.
Toen de worst op was, hadden wij het wezen "mens" tot op het bot ontleed. Een zielig, armzalig schepsel, in den blinde rondtastend in een universum waarvan hij niet wist hoe hij erin terechtgekomen was. Het bestaan had geen enkele zin. Sommige mensen probeerden het zin te geven door oorlogen te voeren, te moorden, wapens uit te vinden, maar het leidde allemaal tot niets. Het enige wat nog een beetje troost kon bieden was toch kunst.? Kunst, dat was het hoogst haalbare in het leven, en daar leefden we dan ook voor.
"Maar nu, kerel," zei Fred, "gaan we pitten. Neem jij de kamer van Pieter maar, die is er toch niet."
Hij bracht me naar een bed, ik zakte er doodmoe op neer, maar slapen kon ik niet. De hele eerste dag van de algemene introductie trok aan mijn geestesoor voorbij, en ik voelde w
eer al die handen op mijn armen die mij hadden voortgeduwd door de nieuwe, vreemde stad. Het pakketje Otto, dat ging studeren, had nog nauwelijks zijn machtigste wapen, zijn mond, in stelling gebracht. Ik hoorde hem nauwelijks praten, en als hij al eens wat zei, klonk zijn stem verontschuldigend, en gaf hij wat voorlichting over hulpmiddelen en aanpassingen die er niet waren.
"Morgen," dacht ik, terwijl ik wegdommelde, "moet ik mijn stem gaan verheffen.".