BERT KLUNDER

Hij is dood, de grote Bertje K. De man met de hardste stem van Nederland. Microfoons had hij niet nodig, die waren voor mietjes.

Bert, het Noord-Noordhollandse blok graniet van het cabaret.

Hij speelde het liefst botte boeren, mannen uit een stuk, die de wereld verklaarden op een simpele, verhelderende manier.

"Het is ooit begonnen met de fietsers, daar begon het mee." Denk zelf even de harde, boze stem erbij. "Die fietsers ja, daar begon het mee. Die vonden het opeens nodig hun hand niet meer uit te steken, als ze de bocht om wilden. En waarom deden ze dat? Geen idee. Het hoefde opeens niet meer, en daar is het allemaal mee begonnen. Daarna gingen ze opeens allemaal door het rode licht rijden. Die stoplichten, die golden niet voor hun, en dat is het begin van het einde geweest. En dan kan je zeggen dat dat niet zo is, maar dat is gewoon wel zo."

Dat waren Berts types. Oorverdovend orerende mannen, zittend op aardappelkisten of kratjes bier. Naarmate de avond verstreek, kregen zijn types meer lagen. Ze werden ontroerend. Als ze gingen zingen, sprongen de tranen in mijn ogen. Bert, die Marie van Randy Newman zong, je kon me wegdragen.

Aan het eind van de avond snapte je zijn schreeuwtypes. Ze wisten het ook allemaal niet, waar het leven voor was, en hoe het moest, maar ze waren er nou eenmaal, op aarde.

Ze waren er, ze waren Bert, en Bert is dood, en dat is kloten. De dood kent geen genade, zelfs niet voor zo’n beer als Bert.

Hij heeft ooit, aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw, twee voorstellingen van mij geregisseerd. Dat ging gepaard met heel veel lachen, en met heel veel ruzie, en daarna weer heel veel lachen. Het was in de tijd dat Bert nog vrijgezel was. Hij was op aandringen van Brigitte Kaandorp begonnen met "een antimorsigheidscampagne." Voor dat doel had hij maar eens een werkster genomen. Voordat ze voor de eerste keer kwam, had hij zelf al flink schoongemaakt, maar de wc was zo smerig, dat kon hij haar niet aandoen.

Dus Bert schroefde de pot los, smeet hem op zijn morsige binnenplaats, kocht een nieuwe bij de Gamma en monteerde die.

Als hij mij kwam ophalen om te repeteren, in zijn oude Fiat Ritmo, hoorde ik hem vijf minuten vantevoren al aankomen. Vanaf het moment dat hij de afrit Stadion in Utrecht afreed, drukte hij om de vijf seconden op de toeter. Als het geluid vlakbij was, liep ik vast naar beneden. "hallootje, Bijlootje," riep hij me tegemoet.

Ik stapte in, moest eerst tien lege sigarettenpakjes en doosjes pottertjes van de stoel verwijderen, en smeet de autodeur dicht, die moesten hard dicht, die deuren van de Fiat Ritmo.

"Zou die goed dicht zitten denk je?" Vroeg Bert. "probeer het nog maar een keer, ik vertrouw het niet."

Pats, deed mijn deur. Bert testte voor de zekerheid de zijne ook nog even. Pats, en ik weer pats, en zo zaten we, minutenlang, bijna slap van de lach met de autodeuren te slaan. Kinderachtig? Nee, gewoon leuk, Bert. Of hij vroeg: "Zeg Bijlootje, heb jij eigenlijk wel eens over mijn auto gelopen?"

"Nee," zei ik, "nog nooit."

"Ga je gang," zei hij. Hij pakte mijn hand, zette mij voor de motorkap van zijn auto, ik stapte op, liep over het dak en over de achterklep, en sprong op de grond.

Ik was gestopt met roken, en was chagrijnig. Het repeteren ging erg slecht. "En nou, godverdomme," Bert kwam dreigend voor me staan, "en nou", hij pakte met zijn ene hand mijn kin beet en met zijn andere mijn neus en opende mijn mond, "en nou, roken kreng!" Hij stopte twee sigaretten in mijn mond en stak ze aan. Het repeteren ging daarna een stuk beter.

’s Avonds speelde ik een try out, en ik vond dat het goed ging. Vol trots was ik, want Bert had het gezien. "Ging goed he?" Zei ik na afloop tegen Bert. "Nou," zei hij, "wil je een leuke avond of wil je een eerlijk antwoord?"

Ik koos voor de leuke avond, we dronken biertjes, smeten nog wat met zijn autodeuren, mar de volgende ochtend om halftien hing hij al aan de telefoon. Alles was kut, van gisteravond, en zoals ik het deed, zo moest het dus niet. En dan kon ik wel zeggen dat dat wel zo most, maar dat was gewoon niet zo.

Dit was Bert de regisseur. Dit soort taal moest mij beter maken, want ik moest niet denken dat ik er al was, want dat was ik namelijk niet. Ik werd er beter van, we maakten veel ruzie, sloegen ook met deuren in theaters, niet voor de gein, maar omdat we kwaad waren, op elkaar, maar altijd kwam het weer goed, sloegen we de armen om elkaar heen en knuffelden zoals mannen dat onder elkaar doen, als beren.

En nu is hij dood, de oude pik, hoe is het mogelijk.

Maar hij blijft altijd in mijn hoofd, vlak voordat ik het podium op moet denk ik aan hem. "Het gaat om je toon," hoor ik hem dan roepen. "Wat je zegt maakt niks uit, al lees je het telefoonboek voor, als je toon maar goed is, daar gaat het om, Bijlootje."

Dat kan wel zijn Bert, maar mijn toon is nu even treurig, want je had nooit dood mogen gaan. Ik had je willen bellen deze week, we hadden al heel lang geen contact meer, maar ik ben te laat.

Toen ik het mailtje las waarin men mij vertelde dat je dood was, ben ik op de veranda gaan zitten. Het was halftwee ’s nachts. Ik stak een sigaret op, nam een biertje, bracht een toost uit op jou, Bertje, en dacht je terug in mijn hoofd. Het was bladstil buiten. Zelfs de snelweg die hier vlakbij loopt was niet te horen. Opeens, ik was halverwege mijn tweede sigaret, stak er een windvlaag op. Daar ging je, Bert, je liet het vijf minuten hard waaien in de tuin, de deur naar de keuken, die halfopen stond, sloeg dicht, pats! Maar je was niet kwaad, je was dood, godverdomme.