HET INSTITUUT
door Vincent Bijlo
Uitgegeven bij de Arbeiderspers in 1998
Voor Mariska, mijn vrouw.
Harm was mijn voorbeeld. Harm was de blindste der blinden, de superblinde. Harm kon alles, en wat hij niet kon ging hij nog kunnen.
Ik kon minder, maar leerde van Harm. Hij had een voorsprong, want hij was op zijn tweede pas blind geworden, en dat maakte uit, zei hij, dan kon je al meer. Een tumor had hem het zicht in beide ogen ontnomen. Ik had geen idee wat een tumor was, maar hij kon het heel interessant vertellen, en zelfs de ergste mensen tot een eerbiedig stilzwijgen brengen met dat verhaal.
Harm had glazen ogen. Dat had hem onder ziende kinderen veel faam bezorgd. Eén keer mocht hij met ons mee op vakantie. Mijn ouders hebben het geweten. Vanaf 's morgens acht uur stond er al een troep krijsende kinderen voor het raam van onze slaapkamer die eisten dat Harm zijn ogen zou uitdoen. Mijn moeder werd toen zo kwaad dat zij hem bijna een blauw oog sloeg; dat ging niet door want hij had ze net uit, zijn ogen.
We waren intern. Dat betekende dat we op het instituut woonden. Het instituut lag in Bussum, of in Huizen, dat wist eigenlijk niemand. Het maakte ook niet uit, al had het in Laren gelegen, beter was het er nooit op geworden. Je had ook kinderen die extern waren, die gingen elke dag naar huis. Dat waren de gooise moedersblindjes, die hoorden niet bij ons.
Wij woonden in huisje 1. Iemand had bedacht dat het leuk zou zijn om de huisjes van het internaat vogelnamen te geven. Daarom was huisje 1 De Vink. Het werd door iedereen natuurlijk altijd De Blinde Vink genoemd. Huisje 2 heette De Merel, huisje 3 De Pimpelmees en huisje 4 Het Kwikstaartje.
Ik had liever in een van die andere huisjes gezeten, want in huisje 1 was het een debiele bende. Harm en ik, ik heet overigens Otto, Otto Iking, wij met zijn tweeën waren daar de enige normale blinden, de rest stonk, was raar, kinderachtig, dom en niet goed bij zijn hoofd. Als je het zootje zo bij elkaar zag zou je zeggen dat blindheid iets met je hersens deed. Ik kan me al hun namen, al hun stemmen, al hun onzinnige gekletst en al hun nare geuren nog tot in het kleinste detail herinneren.
Allereerst was er natuurlijk Walter. Hij rook altijd naar vieze zeep. Walters vader was dominee en dat verschafte zijn zoon een zekere arrogantie. Hij keek een beetje op ons neer, ook al zag hij niets meer dan wij. Hij maakte zelf preekjes, die hij staande op de deksel van de zandbak van De Vink liet schallen. Het waren verhaaltjes doorspekt met hel en verdoemenis. Ze waren ongelofelijk grappig die praatjes, vooral door Walters hoge, kraaierige stemmetje en zijn rollende r. Ik was nooit in een kerk geweest, maar ik stelde me voor dat iedereen daar over de grond moest rollen van het lachen.
Walter had altijd een klein stokje bij zich om nergens tegen op te botsen. Belachelijk. Niemand liep op het instituut met een stok, iedereen struinde gewoon overal doorheen, behalve dat arrogante domineeszoontje. Wij pakten vaak zijn stokje af en dan raakte hij zo in paniek dat hij overal tegenaan liep. Dan moesten wij keihard lachen. Elke week deden we dat minstens vier keer. We konden er geen genoeg van krijgen. Walter riep dan dat wij nooit in de hemel zouden komen met dit soort gedrag. Het maakte ons niet uit, op zondagsschool was ons verteld dat ze in de hemel geen kleine stokjes hadden, en dan zou het daar maar saai zijn. De hel, daar moesten we zijn, daar was het goed toeven. Daar waren stokken in overvloed.
Pieter was een klein, zeikerig Rotterdammertje. Hij stonk een beetje naar pis. Altijd liep hij te zeuren en te kankeren. Niets en niemand deugde. Nou was dat ook wel zo, maar het had geen enkele zin om het daar constant over te hebben. Pieter kreeg iedereen kwaad, zelfs mij. Ik was geen agressief kereltje, maar zodra Pieter iets zei, met zijn hoge, temerige Rotterdamse stemmetje, voelde ik de spieren in mijn armen zich spannen en balde ik vanzelf mijn vuisten. Hij had een buitenboordbeugel. Toen hij na een smadelijke nederlaag van Ajax het door merg en been snijdende "hand in hand, kameraden" in de mond nam heb ik die beugel uit zijn bek geramd. Kon hij weer drie jaar langer met dat ding lopen.
Michiel was de zoon van een marine-officier. Hij wilde altijd iedereen "schoppen onder zijn hol" geven, dat deden ze blijkbaar bij de marine. Het lukte hem nooit die trappen uit te delen, want hij stonk ontzettend naar Zwitserse strooikaas, zodat je hem kon ruiken aankomen. Je hoefde maar even je been uit te steken en hij lag al op de grond. "Bij de marine moet je zijn," zongen wij dan. Michiel was ontzettend lang en dun en stootte al op twaalfjarige leeftijd zijn hoofd tegen de bovenkant van deurposten.
Marc had wit haar was ons verteld, en daarom noemden we hem Keeshond. Niet dat wij wisten wat een keeshond was, maar het werkte erg goed, agressief moest zo'n beest wel zijn. Als Marc kwaad was, heette hij Tomaat met Mayonaise, dat had Pieter bedacht, want Pieter's vader was tuinder en wist veel van tomaten. Marc was muzikaal. Ik speelde samen met hem mooie stukjes op de blokfluit.
Tony was doof en dik. Zwart ook, van huid, maar daar wisten we geen scheldwoorden voor, bovendien zou hij ze toch nooit gehoord hebben. Tony verdwaalde overal. Die jongen had zo'n slecht orientatievermogen dat hij zelfs op de wc de weg nog kwijt zou kunnen raken. Als hij niet meer wist waar hij was, begon hij te loeien net zolang tot iemand hem weer op het juiste spoor zette. Het had hem de bijnaam De Misthoorn opgeleverd.
Hajo was de grootste, sloomste sukkel die er op aarde rondliep. Hij was Stoffel de schildpad en dan had hij nog mazzel, want Stoffel was bij Hajo vergeleken een soort Zoef de Haas. Hajo had een kwartier nodig om van school naar de Vink te lopen. Het was hoogstens 50 meter. Hij sloeg de melkpauze over.
Eric had epilepsie en was De Toevalstreffer. Marga deed alles en iedereen na en was De Papegaai maar stonk veel meer uit haar bek dan welke vogel ooit uit zijn snavel zou kunnen stinken. Kortom: dankbare pestobjecten voor Harm en mij. Er was er maar één tegen wie we niet op konden, Edwin.
Edwin zag nog wat, waarom dat wist niemand. Edwin gaf echte blinden keiharde schoppen tegen de schenen en rende dan weg. De groepsleiding van de Vink vond dat goed omdat Edwin tijdens de geboorte klem had gezeten met zijn hoofd. Edwin kon de vreselijkste dingen doen, hij ging altijd vrijuit. Een achterbaks, schijnheilig mannetje. Iedereen had een ongelofelijke hekel aan hem.
Harm en ik hadden een pestcompetitie in het leven geroepen. Op lijsten hielden we bij wie we hoe vaak hadden gepest. Eén keer Michiel laten struikelen was vijf punten, Pieter in elkaar slaan was tien punten, en zo hadden we een hele tabel van te verdienen pestpunten. Je kon ook punten verliezen. Als je Michiel wilde laten struikelen en dat mislukte gingen er vijf punten van je totaal af.
Ik ben eens in één klap bijna al mijn pestpunten kwijtgeraakt. Dat kwam zo. Ik trok belletje bij meneer Van Halen. Die werkte in de keuken en woonde boven het hoofdgebouw, waar de Mavo in was gehuisvest. Ik wist niet, dat meneer Elmer, het hoofd der school achter mij stond. Elmer rookte altijd een pijp, maar nu had hij hem niet bij zich, dat was niet eerlijk van hem. Mijn vinger was nog niet van het belknopje af, of hij greep mij al in mijn nek.
"Is dat leuk?" bulderde hij.
"Nee, meneer Elmer, dat is niet leuk" piepte ik. Wat was ik een laf lulletje. Het kostte mij vijftig pestpunten. Ik moest Michiel nu weer tien keer laten struikelen en achtendertig keer Walters stokje afpakken en zesenveertig keer Keeshond tegen Marc roepen en nog veel en veel meer om mijn totaal weer wat op te vijzelen, en dat deed ik dus maar.
Harm kon fietsen. Dat kon ik ook wel, maar ik reed nog regelmatig tegen dikke Tony op. Harm niet, tenminste niet per ongeluk. Hij viel nooit, reed nooit de rododendrons in, ik wel. Hij had zelfs een keer een lekke band. Dan was het pas echt. Meneer Reinier, het hoofd van de groepsleiding van De Vink, had hem toen geleerd hoe hij die moest plakken. Hij zou er dus nog wel eens een lekke band kunnen krijgen. Dat is nooit gebeurd. Ik heb er ook nooit een gekregen, gelukkig maar, want ik wist niet hoe je hem moest plakken, en meneer Reinier vond ik niet leuk, omdat zijn naam als je hem omdraaide hetzelfde was.
Bij het zwemmen is het gebeurd. De zwem- gym- en stokloopleraar, Meneer Mooyman, riep dat Tony niet mocht springen van de hoge duikplank maar Tony was doof en dik en zwart, maar daar wisten we toen nog geen scheldwoorden voor. Tony sprong op Michiel, en die werd lam en moest een rolstoel. Toen ging hij naar een ander instituut omdat dat van ons niet berekend was op rolstoelen. We hebben hem daar nog eens opgezocht. Hij stonk nog steeds naar Zwitserse kaas, maar we konden hem niet meer laten struikelen. Hij was heel zielig en we durfden niet meer over de marine te zingen. Na het ongeluk mocht Tony nooit meer van de hoge. Daar waren we Michiel erg dankbaar voor.
We deden meer dan pesten, zelfs pesten werd af en toe een sleur op dat instituut, waar alles een sleur werd. Zelfs het weer, in mijn herinnering was het vrijwel altijd half bewolkt en 15 graden. Zo hadden we bijvoorbeeld zondagsschool. Die was opgezet omdat er in het weekend niets te doen was. Het Instituut was openbaar, maar in de strijd tegen de verveling moest je soms paardenmiddelen als het christendom toepassen. Ik was de enige die de zondagsschool leuk vond. We kregen het zondagse onderricht van dominee Van Kampen. Hij praatte heel langzaam, elk woord dat hij uitsprak werd eerst goed overdacht, dan weer verworpen en dan toch maar uitgesproken, en als hij dat woord gezegd had, klonk het volgende woord alsof hij spijt had dat het vorige woord uit zijn mond ontsnapt was. De lessen waren veel te kort. Die Van Kampen moest onnoemelijk veel wijsheid bevatten. Hij vertelde ons eens dat de blinden blind waren opdat Gods werken in hen openbaar zouden kunnen worden. Ik zat de hele verdere zondag te wachten, maar er werd niets openbaar. Ik moest wel een paar keer niezen, maar dat was Gods werk niet, dat kwam door de schoonmaker die zijn werk niet goed genoeg deed. Zondagsschool was veel beter dan de doordeweekse niet-christelijke school, want die was verplicht, en die op zondag niet.
Sterk individueel gericht onderwijs, daar ging de doordeweekse school prat op. Ze moesten wel individueel onderwijs geven, aan dat zootje debielen was niet klassikaal les te geven. We zaten met zeven, hooguit acht kinderen in één klas. Die klas was tegelijk vierde, vijfde en zesde, zoveel blinden waren er nou ook weer niet, en werd bestuurd door meneer Hak. Braille, dat hebben ze me daar goed geleerd. Ik kon het vloeiend op mijn zesde. Tonnen papier heb ik sindsdien bestampt met punten. Ik schreef over het leven buiten de hekken van het instituut, het leven dat ik niet kende. Altijd waren het verhalen over tegendraadse jongetjes, die tegen iedereen "lul" riepen en auto's van hun ouders sloopten en over tafel kotsten tijdens dure diners. Meneer Hak had een aantal van deze schitterende vertelsels gelezen en gezegd dat daarvoor dat dure papier niet gemaakt werd en dat hij er met mijn ouders over zou praten. Hij zal het wel gedaan hebben, want daarna mocht ik nooit meer mee naar dure diners.
Gerd de Lien zijn vader had een nieuwe auto gekocht. Het was een reno. Gerd ging erin zitten en startte. pfffplmmmplmmm rangkletterkebemmm deed de reno en hij reed de auto van oom sjoerd in de poeier. Godverdomme riep zijn vader lul en hij sloeg Gerd pats op zijn rug. Gerd moest heel hard huilen maar sloeg wel terug waardoor zijn vader zijn bril brak en kotste des avonds over tafel in de Hoefslag waar ze eend moesten eten met iemand van de modeshow.
Ze moesten ons op dat reservaat "klaarstomen" voor de wereld" zoals dat plechtig uit de mond van meneer Hak heette. Niet voor deze wereld, daar ben ik nu wel achter. Spelenderwijs maakten de docenten ons vertrouwd met de dingen uit de echte maatschappij. Dingen waar we later nog ons voordeel mee zouden kunnen doen. Zo was er speltherapie. Vijftig minuten per week spelen met een moraal bij juffrouw Trudy. Tijdens dat ik ijverig met de grote blokken in de weer was, ging ze vaak een kopje koffie halen. Ik bouwde dan snel een 2 meter hoge toren van blokken, schoof die voor de deur en wachtte onder tafel. Dat was de echte wereld. Die instortende toren na de boze duw van juffrouw Trudy tegen de deur en de vallende koffie daarna. Maar nadat dat tien keer was gebeurd werd ook dat saai.
"Klaarstomen voor de wereld" met Zelfstandigheidstraining. Zelf eitjes en kaasboterhammetjes bakken, veters strikken, thee zetten en soep eten. Limonadesoep wel te verstaan. Een bord ranja, en dat leeglepelen. Probeer dat eens, geblinddoekt, dat duurt uren, en het was maar een half uur per week, soms was je weken met één bord bezig. Thuis deed mijn moeder de soep in bekers, dus in de echte wereld ging het heel anders. Waarom zouden we dan zo moeilijk doen? Ik vroeg het, en het antwoord luidde dat bij mij thuis de echte wereld nog niet was.
Hoe was het mogelijk, dat ze dit dachten. Bij mij thuis de echte wereld niet zeg, mijn vader was persfotograaf van beroep, mijn moeder ontwierp kleren, we hadden een Saab en een hond, we kenden de burgemeester van Amstelveen, dat zou de echte wereld niet zijn! Overal in de echte wereld deden ze de soep in bekers, dat wist ik zeker en ik at niet meer zo'n achterlijk bord ranja. Ze vonden het jammer, het was voor mijn eigen bestwil, maar als ik erop stond dan hoefde het niet, maar ik zou er later wel spijt van krijgen. Spijt heb ik ervan gehad, toen ik voor het eerst zonder mijn ouders aanzat aan een duur diner, zonder over tafel te kotsen overigens. Toen kregen we soep uit borden, het werd een bende.
Ik moet toch ook wel taal en rekenen gehad hebben, maar daar kan ik me weinig van herinneren. Alleen dat we de tafels moesten opzeggen, dat weet ik nog wel. Dat was het enige dat we klassikaal deden, in een ijzeren ritme. Ik ken ze nog steeds uit mijn hoofd.
In het lokaal van de vierde vijfde en zesde hadden we Oost-Duitse tafels. Die waren speciaal voor slechtzienden uitgerust met een blad dat je schuin kon zetten, zodat je ogen dichterbij het boek waren als je las. Wat een onzin, wat een zonde van de moeite, ga dan gewoon Braille leren. Je kon die bladen van die tafels keihard vanuit de schuine stand weer naar beneden laten klappen. Zo is meneer Hak zijn halve wijsvinger eraf gehakt, door die stomme Walter, die had geen enkel respect voor docenten. Gelukkig las meneer Hak braille met zijn ogen, dus hij kon hem best missen, die vinger.
We hadden ook wel blinde leraren, voor muziek meneer Wachter, die later ook nog doof werd. Dat was heel jammer want toen kon hij geen muziek meer geven. We riepen altijd "zachter Wachter!" als we voorbij zijn lokaal kwamen. Hij had Orff-instrumentarium. Misschien dat dat bijgedragen heeft aan zijn gehoorbeschadiging. Stompzinnige liedjes moesten we daar zingen. Het waren dadastische verzen als "Implantona saxiona rikketikketik Amerika" en "Un dun dip in de kanne kip in de kanne Dobbelmanne un dun dip". Niet goed voor je gehoor, zulke kindersongs. Meneer Wachter had een hond, Leda. Ik was bang voor Leda, banger dan voor welke zwaan dan ook, want Leda had mij in mijn hoofd gebeten. Ze lag op haar hondenstretchertje te stinken en te kwijlen en ik zei daar wat van, vlakbij haar oor, en toen boorden haar vieze tanden zich in mijn schedel. Die hond werd opgehitst door Orff.
's Avonds hadden we vrij, en dan maakte ik radio vanuit de slaapzaal, die ik studio de Vink had gedoopt. Radio Puntsik heette mijn station. Waarom het die naam had gekregen wist niemand, ik ook niet. De zender bracht dagelijks De Ottoshow. Die zat vol muziek, voornamelijk George Baker, John Denver, Mud en Jack Jersey, afgespeeld via Walters Grundig Hitboy cassetterecorder. Af en toe onderbrak ik de liedjes voor luchtig instituutsnieuws. Het format voor dit station was helemaal door mijzelf ontwikkeld en uitgewerkt en sloeg enorm aan. Iedereen stond elke avond afgestemd. Dat kon niet anders, want zodra ik begon uit te zenden was er niets anders meer te ontvangen. Ik had de zender gekocht van Kenneth, die bij mijn ouders in de straat woonde. Die zender was een bouwpakket. Hij had hem zelf in elkaar gezet. De Jostikit, heette die zender. Mijn uitzendingen waren het leukste wat er op het Instituut was. Als er geen instituutsnieuws was, wat nogal eens voorkwam, citeerde ik bijbelteksten die ik had overgeschreven bij dominee Van Kampen of ik las de tegendraadse verhalen voor van de jongetjes die over tafel kotsten. Ik wist zeker dat ik later bij de radio wilde, en ik bedacht me dat uitzenden, ook al was het illegaal, misschien wel gods werken waren, die in mij openbaar werden. Als ik achter mijn microfoon plaatsnam, bestond de hele wereld alleen nog maar uit mij, mijn microfoon en mijn zender.