© Rob Huibers 2003

De klavecimbelbouwer kucht, en tikt mij op mijn schouder. "Wilt u voorzichtig doen," zegt hij beleefd, "dit is een Vlaams klavecimbel, ingelegd met goud, echt goud, het is eigenlijk niet de bedoeling dat u dat bevingert."

Ik speel een blues, hij klinkt waanzinnig, zo’n geluid krijg ik niet uit mijn nieuwe synthesizer.

Ik informeer naar de prijs.

"Nou," zegt hij, "als u echt geïnteresseerd bent moeten we het daar nog maar eens over hebben." Ik hoor dat hij mij bekijkt en inschat dat ik geen potentiële koper ben. Ik speel Satisfaction van The Rolling Stones. Hij kucht weer. Achter mij begint iemand op een Hongaarse handgemaakte traverso in oude stemming mee te spelen. Na acht maten Stones vindt de klavecimbelbouwer het genoeg. Hij verzoekt mij dringend ermee op te houden. Jammer, de sound was uniek en zeer authentiek, de Stones behoren mijns inziens ook tot de Oude Muziek.

"hey hey hey, that’s what I say".

Ik stop met spelen, ik zal deze man niet lastigvallen met triviale popmuziek. Ik moet me gedragen, want ik ben hier op de Oude Muziekmarkt. Hier is geen plaats voor herrie en lage cultuur. Dit is de wereld van de berkenhouten, ambachtelijke muziekstandaards, de historische strijkstokken en de fascimile uitgaven. Zeventig standhouders zijn hier in muziekcentrum Vredenburg in Utrecht aanwezig om hun waar te tonen. Bouwers en dealers van kopieën van oude instrumenten, leveranciers van Oude Muzieksoftware voor de computer, makers van luxe houten instrumentfoudralen en het impresariaat voor oude muziek Hollandsch Fortuyn, kortom: Vaklieden, die op een serieuze wijze bezig zijn met wereldlijke en hoofse oude klanken, en daar past geen popmuziek bij. Hier wordt niet geschreeuwd, zoals op de markt buiten. Hier zul je nooit horen: "Mensen, vier barokhobo’s voor de prijs van drie, wie maakt me los!" Hier wordt zacht gepraat over Duitse boringen, dubbelrieten en gebonden klavichorden.

Ik hoor Tolkienklanken, er staat een mevrouw met harpen. Ze laat mij een exemplaar zien met 91 snaren. Dit is de Elvenking fantasyharp gemaakt door de Oostenrijker Norbert Maier, geïnspireerd op de film Lord Of The Rings. Het hout is bewerkt met een boomwortelmotief. Het geluid is mooi, warm en vol. De harp mag niet worden geverfd, vertelt ze, omdat dat de vibraties belemmert. Hij voelt zeer rustiek aan. Ze heeft meer harpen, heb ik soms interesse in een Triplett? Ik zie er blijkbaar wel uit als een potentiële harpenkoper. Ze vertelt enthousiast. De Triplett heeft drie rijen snaren. De twee buitenste rijen zijn gestemd op de hele tonen, de snaren van de rij daar tussenin op de halve tonen. Ze kan er niet op spelen, mar ze roept naar achteren: "Constance, kom eens, wil jij een stukje op de Triplett spelen voor die meneer?"

Constance, een mooie naam voor een harpmeisje, speelt. Het klinkt erg mooi, niet zo harperig als harp meestal klinkt. Dit is niet de harp van de goedkope romantiek, dit is de harp waarop je uitstekend renaissacemuziek kunt uitvoeren. Helaas wordt haar prachtige spel aan flarden gescheurd door iemand die keihard op een pommer blaast. Ja, een pommer, een houten blaasinstument dat eruit ziet als een kleine trompet. Een lekker, volks klinkend ding. Misschien koop ik wel een pommer, die zou het denk ik uitstekend doen op de Hollandsche cabaretpodia.

Im probeer de pommer, maar het valt nog niet mee er geluid uit te krijgen. De toon die ik voortbreng, klinkt als een scheet. Meewarig zegt de verkoper dat ik eerst maar eens met een blokfluit moet beginnen. Die zijnb hier genoeg, varierend in lengte van 10 centimeter tot 3 meter. De hele middag hoor ik ze al. Overal wordt er gefloten, zelfs op de wc. Daar is het namelijk redelijk rustig, en de akoestiek is prachtig. Een man test, terwijl ik plas, twee fluiten met Duitse boringen.Laat ik een basfluit kopen, dat lijkt me echt iets voor mij. Er staat in de stand van fluitenbouwer Adriana Breuikink een exemplaar van drie meter lang. Aan het mondstuk is een stang bevestigd die naar beneden hangt, zodat je er, niemand is immers drie meter lang, toch op kunt blazen. Zelfs uit deze megafluit krijg ik nauwelijks geluid. Ik word overstemd door de sopranino’s, de fluitjes van 10 centeimeter.

Of zal ik toch maar een tokkelinstrument doen? Een luit, een barokgitaar, een psalterium, een chitaronne, een vihuela, een theorbe, een pandora, of een orpharion?

Ik pluk wat aan snaren, maar ik durf niet zo goed. Het lijkt wel alsof iedereen in de gaten heeft dat ik geen kenner ben, dat ik niet tot de wereld van de oude muziek behoor, en dat ik eigenlijk niets kan, behalve een beetje blues spelen, oude instrumenten nadoen op mijn nieuwe synthesizer en rauw, volks zingen. Ik krijg het warm, ik word een beetje zenuwachtig. Het geluid van de blokfluiten zwelt aan, misschien breek ik wel snaren als ik mezelf goed wil horen. Kon ik al deze instrumenten maar meenemen naar de wc, dan zou ik ze, zittend op de pot, in alle rust kunnen uitproberen.

Dan in godsnaam maar een rebec, of een citole, of desnoods een vedel.

Ik pak een historische strijkstok, zet de vedel onder mijn kin en strijk. Ik kras, ik piep, ik gier, ik krijs, ik gil. Het klinkt altijd zo makkelijk, het lijkt alsof je uit de losse pols kunt fiedelen op je vedel, maar het is één van de moeilijkste instrumenten die er bestaan. Dat ze dat vroeger konden, die dingen bespelen, die Middeleeuwers waren eigenlijk veel knapper dan wij.

Naast mij speelt iemand op een pijporgel, dat klinkt als het orgeltje in Strawberry Fields van The Beatles. Ik strijk en zaag, de fluiten fluiten, de tokkelaars tokkelen, de pommer pomt, het orgeltje pijpt, en langzaam begin ik muziek te horen. We horen het allemaal, we spelen geconcentreerd, Tolkien valt in, de klavecimbelbouwer speelt Satiscaction en Adriana Breukink bast.

Orkanen van geluid vullen Vredenburg. Het lijkt alsof de muziek ons optilt. Het is niet mooi, het is niet vals, het is meer dan dat. Het is modern. Het is het meest originele moderne stuk dat ik ooit gehoord heb. En dat op de Oude Muziekmarkt.