
© Rob Huibers 1998
We praten over vroeger, de oude Rotterdammer en ik, want oude Rotterdammers praten graag over vroeger. Niet dat het vroeger beter was, maar het was wel anders, het rook anders.
"Hier," zegt hij, "buk eens?"
We staan in het Historisch Museum in Rotterdam, en we zijn vandaag de enige bezoekers die hun neus komen ophalen aan de tentoonstelling "hoe ruikt Rotterdam." Iedereen zit op het strand, de zeelucht op te snuiven.
De samenstellers van deze geurexpositie hebben een poging gedaan geuren te vangen. Ze zitten in potjes, die met een slangetje verbonden zijn met roostertjes. Als je op een knopje naast het roostertje drukt, blaast de meestal chemisch nagemaakte geur je neusgaten binnen. Het lijkt me zeer Sarsgevaarlijk, maar dat kan de oude Rotterdammer niets schelen.
"ruik nou toch, een wereldgeur," zegt hij ongeduldig. Hij duwt mijn hoofd omlaag, tot mijn neus boven het eerste roostertje hangt. Met een zacht briesje wordt de geur van rookworst mijn neus ingeblazen. Dit zijn de mannen van Zwan.
"Nee, jij kent die geur niet, rookworst, ben je besodelaaitafeld, nee, dit is teer, teer en touw. Niemand kent die reuk meer, sinds de haven niet meer in de stad is. Er is zoveel verdwenen. Het is tegenwoordig allemaal hasj wat de klok slaat, hasj en patat, daar meurt Rotterdam naar."
Hij inhaleert diep bij het volgende roostertje. Hij kreunt, alsof hij net op tijd zijn shot cocaïne opgesnoven heeft.
"Oh, ja joh. We zaten met zijn allen in de keuken rond een pan met draadjesvlees."
Ik ruik benzine.
"Dat is toch geen benzine man, dat is petroleum! Zo rook ons ouwe primussie. Mijn moeder kookte op petroleum. En dit," hij duwt mijn neus alweer verder, "dit was de geur van maandag."
Ik meen meidoornbloesem op te snuiven.
"De was, maandag wasdag. Dat zegt jou niks meer, maar op maandag haalde moeder ’s middags om vijf uur de droge was het huis binnen, een mooie geur was dat. Alles was weer lekker schoon, je kon er weer een weekje tegenaan, het rook veilig, gezellig, het rook naar niks aan de hand."
Hij draaft wel wat door, hij praat wel erg zijn neus achterna, die hem terugvoert naar dit geromantiseerde geurparadijs. Hij ruikt zich terug naar de tijd waarin je blij was dat je reuzel op brood had, de tijd dat je hout uit de Rotte opviste om te laten drogen en later te kunnen stoken in je Zwarte Heinkachel. Dat hout moet verschrikkelijk gestonken hebben, maar hij herinnert zich er niets van.
Het waren de jaren waarin je op maandag voor de hele week sterke koffie zette, waar het hele huis naar rook. Die koffie bewaarde je in een literfles. De rest van de dagen van de week lengde je er één kopje van aan met water, en je had koffie, goede koffie.
Waarschijnlijk was het niet om te zuipen, maar het geheugen bezit het prachtige vermogen vieze dingen achteraf alsnog lekker te maken.
Er komen nog een paar oudere Rotterdammers binnen, en al snuivend ontdek ik dat er tussen hen en mij een enorme geurkloof gaapt. Zij zijn gehard, hun neus kan veel meer aan dan die van mij. Zij konden de stinkende varkensslachterij verdragen, zij zongen, net als Toon Hermans, Sinterklaasliedjes, met die stinkende kolendampen in hun smoel. Zij vinden het jammer, dat je tegenwoordig de vuilniswagens niet meer ruikt, ik vind onze gft-bak na drie dagen al stinken.
Sommigen van het inmiddels tot vijf mensen aangegroeide clubje bezoekers raken diep ontroerd als ze Majazeep ruiken, het doet mij niets. Zou ik over veertig jaar moeten huilen, als ik Fa Active Sweat Control Deo zou ruiken? Ik denk het niet.
Ik merk ook nog een ander verschil tussen hen en mij. Mijn neus is gevoeliger, ik ruik dingen die zij niet ruiken. Ik ruik de geur van de grasmat van Feyenoord, zij niet. Maar als ik vertel over Coen Moulijn en een imitatie van De Kromme ten beste geef, ruiken ze nog een keer, en ja, nu prikkelt het gras zo hard hun slijmvliezen dat ze er van moeten niezen.
En zo kom ik op mijn derde ontdekking. Er is niets zo suggestief als geur. Als je erg vel trek hebt in koffie, kan je het ruiken. Sterker nog, ik ruik het. En dit is niet dat geromantiseerde slootwater van daarnet, dit is echte koffie, Arabicamelange, als ik het goed heb. Of zouden die goddelijke dampen opstijgen uit het museumrestaurant?
Als het clubje voor de laatste maal de longen heeft gevuld met zware stookolie, en zich nog eenmaal tegoed heeft gedaan aan de geur van gedoofde sigarenpeuken, gaan we echte koffie drinken. We gaan zitten aan een tafeltje in de tuin van het restaurant, dat middenin de stad ligt. Zij vinden het hier stinken, naar uitlaatgassen, ik hou van deze geur. Ik ruik weer mijn stad, de stad van nu, de stad van wiet, de stad van shoarma, van koning Burger, van wildplassen, van koopzondag, van oud frituurvet, van warme stokbroodjes met gesmolten Mozzarella op een bedje van ruccola. Het is de stad van de welvaart, van de dure parfums die in veel te grote doses worden uitgestort. De stad van de K3-kinderen, die ruiken naar ADHD en veel teveel snoep. De stad van de Breezertjes en de naar scootertjes ruikende kleine criminaliteit.
De geuren van armoede, uitbuiting, ellende en hard werken zijn door milieuwetgeving en Europese normen aan banden gelegd, en hebben zich teruggetrokken in desolate bedrijventerreinen of in lage lonenlanden.
Toch is er één geur die altijd in Rotterdam te ruiken zal blijven. Diep in de nacht, als het rustiger wordt, de scootertjes tot stilstand zijn gekomen, de K3-kinderen een hazenslaapje doen, de wildplassers het even ophouden tot de zon weer opkomt en de parfums zijn verwaaid in de bries van zee, steekt hij de kop weer op. Het is een brandlucht, een allesverzengende brandlucht. Het is de geur van het bombardement, die elke oude Rotterdammer kent, en die in zijn neusgaten zit gebeiteld.