© Rob Huibers 2002

De sfeer heeft iets schoolreisjesachtigs, in de bus van het Malieveld naar het werkpaleis. We moeten staan, er is meer belangstelling dan de autoradio ons wilde doen geloven. De buschauffeur zwiert en zwaait over de Haagse wegen, en remt zo hard dat ik van achter word aangereden door een rollator. Je zou verwachten dat dit rijgedrag protesten zou oproepen, het getuigt nou niet bepaald van respect en waardigheid, maar nee, men lacht een beetje, en slaakt kermisachtige kreten bij zijn manoeuvres.

"Palės Noordėnde," schreeuwt de chauffeur. Ik stoot mijn hoofd tegen een stang. De remmen van deze bus zijn uitstekend.

De zon schijnt, maar er staat een schraal windje. Het is echt weer voor warme chocolademelk. Ik heb burgemeester Deetman op de radio horen beloven dat hij dat persoonlijk zou klaarmaken, want chocolademelk hoort tenslotte bij ons koningshuis, zoals wodka bij Boris Jeltsin. Waar zou die vorstendrank uitgereikt worden? Ik vraag het, aan een man, die mij aanspreekt omdat hij mij herkent van tv. Hij loopt met me mee naar het distributiepunt. We krijgen er zelfs een Jan Hageltje bij.

"het is veel drukker dan ze zeggen, er mogen per keer vijftig mensen naar binnen, en ik heb al zeker tien, twaalf keer mensen naar binnen zien gaan, de bussen rijden hier nou ook aan, en die zitten hartstikke vol hier, en alles is afgezet," vertelt de man, die zelf overigens niet in de rij gaat staan omdat hij "moeilijk ter voet" is.

"De dennenweg is afgezet, je mag nergens meer parkeren, dat is echt een beetje te hoor. Maar het is mooi hoor, aan de achterkant van het paleis, bij het standbeeld van Wilhelmina ligt het bezaaid met bloemen, liggen mooie briefjes bij. Ik ga even naar de wc."

Hij loopt weg, naar de ook door burgemeester Deetman ter beschikking gestelde Dixies, mobiele toiletjes die ik straks ook nog graag wil uitproberen.

De sfeer is vrij opgewekt, er wordt discreet gelachen. We staan gezellig in de opvouwrij, zo’n rij tussen hekken zoals je die in pretparken ook hebt, alleen staan hier nergens bordjes hoelang het nog duurt voordat je de attractie bereikt.

"het was een hele integere en zachtmoedige man," vertrouwt een mevrouw mij toe. "Heel intelligent, en volgens mij had Beatrix een hele grote steun aan hem. Ik denk dat hij haar klankbord was. Het is zo jammer dat hij ziek is geworden, omdat iedereen hem zielig vond. Mijn schoonvader had ook Parkinson, en ik weet wat voor impact dat heeft op je leven. Je bent toch wel zielig, en als heel Nederland dat ziet, dan wordt dat toch wel pijnlijk. Ik wist meteen toen ik hoorde dat we de laatste eer konden bewijzen dat ik zou gaan. Vandaar deze bloemen, okergele roosjes, herfstachtige besjes, oranje-achtig, ze mogen het paleis niet in, ik geef ze wel af."

"Wij komen hier extra voor uit Den Bosch," zegt een mevrouw achter mij. Er zijn hier veel mevrouwen, ze hebben bijna allemaal dezelfde soort stem. "Wij wilden graag iets persoonlijks doen voor de prins, het was een zeer gewaardeerde mens geweest in al die jaren voor het regeringshuis en voor het gezin, dan vind ik dat je wel eventjes afscheid kan nemen."

We schuiven langzaam maar onvermijdelijk richting de prins. Ik hoor agenten in portofoons praten. Alles is onder controle, ze maken grapjes via de ether.

"Ik ben in het zwart," zegt, alweer een mevrouw, als ik gaar vraag hoe ze gekleed gaat. "Ik heb zelfs een zwarte zonnebril, maar die heb ik altijd op, dus dat paste wel. Hij was een lieve vader, veel humor, hij leek me gewoon lief. Hij deed me een beetje aan mijn vader denken. Het is zo sneu dat hij al zo jong met zijn gezondheid is gaan tobben, dat speelt ook wel mee denk ik, waarom de mensen komen."

Ah, een heer. Een mooie oudere chique kraakstem. "Ik ben monarchist. Ik heb zeer vel begrip, nee, adoratie eigenlijk voor de prins. Hij is als Duitser hier gekomen met veel moeilijkheden, hij heeft zich Nederlander gemaakt, hij bezag Nederland niet alleen als groot territoor, maar hij bezag Nederland als een deel van de wereld waarin wij moeten leven. Ik heb hem leren kennen omdat ik destijds met twee anderen verbonden ben geweest aan het comité Huwelijkscadeau Beatrix Claus. Ik heb Prins Claus toen leren kennen, nog voordat hij trouwde, en ik heb het huwelijk meegemaakt, in de Nieuwe Kerk, toen buiten de rokbommen werden gegooid. Ik heb altijd gevonden dat je de prins niet kon aanrekenen dat hij destijds, zo jong nog, wat militaire dienst had verricht. Men heeft toen door De Jong laten nagaan of hij foute dingen gedaan had, en toen bleek dat prins Claus te dien aanzien brandschoon was. Ik was daar zelf eigenlijk al van overtuigd, doordat ik veel over hem hoorde in politieke kringen. Ik ben zelf altijd Christelijk Historisch geweest, ik heb ook in de Eerste Kamer gezeten, later, voor de CHU en het CDA, dus ik had wel banden. Mijn naam is Piket, F. W. Piket. Ik had zelf wel Duitse ressentimenten, ik ben zelf rond 1980 pas voor het eerst naar Duitsland gegaan, maar ik vond wel dat iedereen dat op zijn eigen wijze moest verwerken, ik vond, dat als je als jonge man de mogelijkheid hebt om te trouwen, met een vrouw van wie je houdt, dan vind ik dat destijds koningin Juliana dat heel goed heeft gezien, want het was liefde en standvastigheid, en geen beleidshuwelijk. Ik had voor de protesten geen begrip. Je mag best een andere mening hebben, maar ik vind dat je die op een dergelijke dag, hun huwelijksdag, niet op die wijze moet uiten. Hij had immers zelf de discussie omtrent zijn Duits-zijn geėntameerd.

Ik geloof niet dat hij nou zo’n tragische man was. Ik denk dat hij door zijn huwelijk met Beatrix meer invloed heeft kunnen uitoefenen op het wereldgebeuren dan hij gedaan zou hebben als hij diplomaat was gebleven."

We slaan een hoek om, en de schrale oostenwind trekt aan, hij ruist in de bomen van het park. Men gaat zachter praten.

"De prins was ein wegberaider voor emancipatie van Duitsers in Nederland," zegt een vrouw die ik per ongeluk op haar hakken trap. Ik verontschuldig mij, maar ze vindt het niet erg, ze is helemaal geļntegreerd.

De bomen gaan harder ruisen, alleen de enkele kinderen die meelopen zijn nog te horen, ze zijn de bakens van leven. Het wordt kouder, stiller, we tekenen het register. De geur van veel bloemen en oude tapijten vergezelt ons als we de mooi stille kapel betreden. Ik tel de tikken van de stok van de man die voor mij loopt. In mijn hoofd hoor ik Bach, de altijd troostende Bach, die als geen ander de eenheid van leven en dood weet te verklanken.

Kon ik hier maar een uurtje blijven zitten. Ver weg van de mensen buiten, die SMSjes krijgen van anderen die verderop in de rij staan, ver weg van lompe buschauffeurs, maar dat staat het protocol niet toe.

Met tegenzin loop ik naar buiten. In de verte hoor ik een drilboor, meneer Deetman is bezig zijn stad op orde te brengen en vlak naast me roept een jongetje dat oma hem net op het journaal zag.

Eigenlijk zou ik de Dixie nog moeten uitproberen, maar ik doe het niet, ik wil naar huis, ik wil naar Bach.