© Rob Huibers
2002
Het is 8 november, en het regent. Vandaag organiseert de VSN, de Vereniging Spierzieken Nederland, een manifestatie in het spoorwegmuseum te Utrecht over de belabberde staat waarin het gehandicaptenvervoer in Nederland verkeert. Om dat te onderstrepen moeten alle gasten die naar deze manifestatie komen reizen met de deeltaxi, de regiotaxi, de stadsmobiel, de Rollybus, de zonetaxi, de debielenbus, kortom, iedereen dient om 13.000 uur aanwezig te zijn aan de Utrechtse Maliebaan, afgeleverd door het "vervoer op maat."
Om 12.15 gaat mijn voordeurbel. Ik drink snel mijn koffie op, trek mijn jas aan, zoek mijn spullen bij elkaar, gooi in de haast een vaas bloemen om die op tafel staat en spoed mij naar de Conexxionbus die dubbel geparkeerd staat, er wordt al getoeterd. Ik had hier niet op gerekend, de busjes hebben de naam veel te laat te komen. Ik dacht dat ik nog wel tijd had voor een tweede kopje, een boterham, een sigaret, maar nee hoor, daar scheuren wij al weg, en om kwart voor 1, een kwartier te vroeg, ben ik al in Utrecht. Dat was niet de bedoeling, het gaat veel te goed. Gelukkig ben ik de eerste. Het zaaltje in het spoorwegmuseum lijkt wel een verkeerstoren. Overal lopen mensen in mobieltjes te praten, die contact hebben met gasten die zich ergens in Nederland, in busjes, of wachtend op koude, tochtige perrons bevinden, hopend dat ze nog voor het donker in Utrecht zullen aankomen.
Ah, daar is mevrouw Netelenbos, die straks het onderzoeksrapport, dat de VSN over het vervoer op maat heeft laten opstellen, in ontvangst zal nemen. Ze is met haar eigen auto gekomen, ze heeft vals gespeeld, en er waren nergens files, meldt ze trots, alsof dat aan haar te danken is.
Er druppelen meer mensen binnen, verkleumd, nat, maar de stemming is goed, want er zijn broodjes kroket en koffie waarop ze in de trein jaloers kunnen zijn. Tegen tweeën is bijna iedereen binnen, we kunnen beginnen.
Allereerst is het woord aan Simone en Harvliet Dalgety. Broer en zus, allebei de bezitter van een spierziekte, die een nieuwe versie van het lied "Busje Komt Zo" hebben opgenomen. Het is een optimistisch lied, blijkt, als tien minuten later het onderzoeksrapport wordt gepresenteerd. Meestal komt het busje namelijk helemaal niet.
De voorzitter van de raad van toezicht van de VSN, Henk van Vondel, neemt het woord. Hij is boos. Niet alleen omdat het vervoerssysteem niet deugt, maar ook omdat de gelijkwaardigheid van mensen met een handicap in het geding is. Zij kunnen immers nooit kiezen, voor auto, fiets, benenwagen, bus of trein, zij moeten gebruik maken van het vervoerssysteem, omdat treinperrons niet of zeer moeilijk toegankelijk zijn en treinstellen en bussen geen gelijkvloerse instappen hebben.
Het vervoerssysteem is onveilig. Hoe vaak is het niet gebeurd dat rolstoelen niet goed vastgezet waren, waardoor mensen door de busjes vlogen toen de chauffeur hard moest remmen. Zelfs een hulphond is een keer het slachtoffer geworden van een op drift geraakte rolstoel. Chauffeurs roken, ook met astmapatiënten in hun busjes, zetten de radio keihard aan, rijden door rode lichten, overigens hoor je blinden daar zelden over klagen en scheuren met een vaart van 120 door de stad.
Het systeem is onbetrouwbaar. Je moet lang vantevoren een busje bestellen, en dan nog slaag je er zelden in ergens op tijd te komen. Hij geeft het voorbeeld van iemand die om acht uur op een vergadering moest zijn. Hij kwam er om tien uur aan, en toen stond er al een ander busje klaar om hem naar huis te brengen.
Ik kan er niets aan doen, maar ik moet lachen. Ik zie het voor me, tientallen busjes die door de stad gieren, beladen met spasten, astmalijders, dwarsleasies, mensen met het syndroom van De la Tourette. Overal vliegen ze uit bochten, rollators en krukken rollen kletterend over straat. Honderden mensen staan langs de kant van de weg zich te vergapen aan deze bonte stoet.
Ik mag er niet om lachen, vandaag, nu even niet, want het is schrijnend. Gehandicapten worden gedevalueerd tot tweederangsburgers, ze zijn afhankelijk van een verbrokkeld apartheidssysteem, en bovendien worden ze op een hoop geveegd met 65-plussers, zonder dat daarvoor extra financiële middelen beschikbaar zijn.
Daar komt nog eens bij dat elke gemeente zelf mag bepalen hoe ze de gehandicapte medemens wil vervoeren, dus overal werkt het vervoerssysteem weer anders.
De litanie zou nog uren kunnen doorgaan, zegt de voorzitter van de raad van toezicht, maar ja, straks staan al die busjes voor de deur om ons weer naar huis te brengen, tenminste, dat hopen we dan maar.
Hij biedt het rapport aan, en mevrouw Netelenbos geeft een uiterst teughoudende politiek genuanceerde reactie. Er is hoop, zegt ze. Vlak voor de val van het tweede Paarse kabinet heeft Margot Vliegenthart ervoor gezorgd dat de nieuw wet gelijke behandeling werd aangenomen. Die wet moet het mogelijk maken NS te verplichten gelijkvloerse instappen te maken, op alle perrons. Maar ja, voordat het zover is, dat duurt nog wel even, want alle perrons zijn verschillend van hoogte, maar misschien dat het mogelijk is om daar een beetje begrip voor te hebben. NS heeft het toch al zo moeilijk met die bladval, en ze doen hun best, NS zet meer bussen in dan alle busmaatschappijen bij elkaar. Volgend jaar wordt de chipkaart voor het openbaar vervoer ingevoerd, vervolgt Netelenbos. Dat zou een moment kunnen zijn waarop er iets kan gebeuren aan de kwaliteit van het vervoer. Er moeten geen langjarige contracten meer met aanbieders van vervoer worden afgesloten, vervoerders moeten kwaliteit bieden, en dat kan alleen maar door direct met ze af te rekenen, met een chipkaart.
Het klinkt zoals het bij Netelenbos altijd klonk, wel aardig, verstandig, maar of het ook echt iets is? Het is politiek nietwaar, en de 250 miljoen gulden die over de balk werden gegooid met de tolpoortjes liggen me nog vers in het geheugen. Toch heeft ook Netelenbos veel taxiklachten, terwijl zij niet eens gebruik maakt van de debielenbus. Ook haar chauffeurs roken, of rijden door het rode licht, of zetten radiozenders aan die niet de muzieksmaak van Netelenbos draaien. Er is nogal wat hufterigheid in de vervoerswereld, en die moet worden aangepakt. Het applausje dat ze oogst is kort.
Er zijn een paar bekende Nederlanders, die voor de gein het vervoerssysteem getest hebben. Dick van den Toorn is er, bekend van zijn glansrol als de altijd in een rolstoel zittende Fats in de film Loenatik, en Patrick Lodiers, maker van het programma "je zal het maar hebben" voor BNN, waarin allerlei ziektes op een hippe, trendy manier worden behandeld, een verademing vergeleken bij al dat gevinger aan de pols. Dick en Patrick vertellen over hun avonturen om te Utrecht te geraken, dan zingen broer en zus Dalgety nog wat, en dan is het eindelijk voorbij. Ik heb genoeg van al deze klachten, ik wil niets meer horen, ik wil naar huis. Daar is gelukkig mijn busje al, met een aardige chauffeur, die klassieke muziek draait, en een gesprek begint over J. C. Bloem, omdat het november is, en het regent. Thuisgekomen besluit ik om de rest van de dag lekker achter de geraniums te gaan zitten, met een biertje, en J. C. Bloem.