Speciaal verslaggever Vincent Bijlo en dito fotograaf Rob Huibers trekken er regelmatig op uit voor de Verdieping. Dit keer: 'Mijn Bitterzoet Lombok', een toneelvoorstelling over de leukste wijk van Utrecht.
Tekst Vincent Bijlo
Foto Rob Huibers

De Kanaalstaat is de leukste straat van Utrecht. En dat is geen correct geneuzel van een linkse pseudo-intellectueel, nee, dat is gewoon zo. En ik kan het weten, ik heb er jaren vlakbij gewoond. Alle denkbare geuren en geluiden die de mens in staat is voort te brengen bevinden zich hier. Je struikelt er regelmatig over bakken met courgettes, pompoenen, rare, niet thuis te brengen knollen, Turkse broden, op de stoep staande auto's, kinderwagens, weggegooide blikjes en plastic terrasstoeltjes. Het ruikt er naar brood, kebab, diesel, roti, shoarma, Turkse pizza's, slechte riolering, zweet, hasj en aubergines. Het is er altijd druk, en het is er een paar graden warmer dan in de rest van Utrecht. Je hoort er klokken, moskeegekerm en verhitte discussies. Ooit ben ik er aangereden door een autochtone taxichauffeur, die tergend langzaam in de zaterdagse drukte probeerde vooruit te komen. Ik gaf een klap op zijn motorkap, hij stapte woest vloekend en kankerend, zoals alleen echte Utrechters dat kunnen, uit zijn auto. Toen hij zag dat ik geen allochtoon was, slikte hij haastig zijn gescheld in en vroeg: ,,gaat het een beetje, achtelijke blinde?''
Hier wonen en werken fijne mensen, in deze straat. Hij ligt in Lombok, het leukste wijk van Utrecht. Utrechters zeggen altijd ,,het wijk''. Dat wijk bestaat dit jaar honderd jaar, samen met het aangrenzende Transvaal. Een goede gelegenheid om een voorstelling over deze wijken te maken. Wie zou dat beter kunnen dan de inwoners zelf? De Turken, de Marokkanen en de Nederlanders. Daar moet ik heen, alles wat Lombok aangaat gaat mij nog steeds aan mijn hartsjie, ook al ben ik er al vijf jaar weg.
De voorstelling is gemaakt onder de vlag van Stut. Stut werd in 1977 opgericht, om theatervoorstellingen te maken met mensen die economisch en maatschappelijk onder druk staan. Sinds 1978 hebben ze een aantal zeer succesvolle producties gemaakt. Nu is er dan Mijn Bitterzoet Lombok, dat de geschiedenis van deze wijk vanaf de tweede wereldoorlog tot nu vertelt.
Daar staan ze, op het toneel in buurthuis de Lukakop aan de Cremerstraat, de onder economische en maatschappelijk druk staande acteurs. Je merkt het niet, als toeschouwer, hun spel is sprankelend en authentiek. We reizen in vijf kwartier met ze mee door de geschiedenis. Ze spelen hun eigen verhalen. Het is alsof ik weer in mijn eigen straat sta. Het geklaag en de grote bekken zijn niet van de lucht. Daar heb je Joke, die haar mond niet kan houden; Bianca, de klager; Willem, die gisteren niet op de vergadering kon zijn omdat Barcelona werd gelost, zijn doffer, die tegenwoordig een stuk beter vliegt.
Daar is Brahim, met zijn vader Azziz, die als 18-jarige Marokkaan in 1965 naar Nederland kwam. Brahim probeert het levensverhaal van Azziz op te schrijven. Een tragisch verhaal, van hard werken, armoede, eenzaamheid en verloren eer. Het is geen leuk verhaal, vindt Azziz, en daarom moet het misschien maar niet verteld worden, omdat de Nederlanders erdoor beledigd zouden kunnen zijn. Brahim vraagt door, en krijgt het boven water.
Als Brahim niet schrijft, is hij hangjongere tot woede van zijn zus Saida. Saida is bevriend met Marieke, die regelmatig wordt uitgescholden door Brahim's makkers.
Er komen mooie gesprekken op gang, over normen, waarden, maar niet prekerig, niet correct. Het is gewone mensentaal die je hoort, bijvoorbeeld van Mariekes vader Nico, de Rechtvoorzijnraap-Utrechter. Voor de poëzie zorgen de allochtonen. Azziz doet met zijn broze, versleten stem mooie uitspraken als: We schrijven niet een boek om de waarheid te dwingen, maar om de waarheid te bevrijden.
Zo is het met dit stuk ook. Niemand verstopt de woorden onder zijn tong. Iedereen vertelt een verhaal waarin steeds weer blijkt dat er eigenlijk in die eeuw Lombok niet zo veel veranderd is. Er zijn andere mensen komen wonen, maar rotzooi, baldadigheid en geklier waren er altijd al. Het is een ontroerend stuk, recht uit het hart, met liedjes, krakend en zwabberend gezongen zoals alleen amateurs dat kunnen. Toch is het niet gênant, absoluut niet, het is mooi, echt en eerlijk.
Eigenlijk draait het hele stuk maar om één ding, ouwehoeren. We moeten altijd met elkaar blijven ouwehoeren, alleen dan kan het wijk het wijk blijven, en alleen dan kun je met elkaar blijven lachen. Want, zegt Mehmet de Turk: Weet je hoe het is bij Turkse mannen? Ze vinden een vrouw, ze trouwen. Dan zegt de man: jaja, wij zijn gelukkig getrouwd: ,,man gelukkig, vrouw getrouwd.''
Ze hebben nu acht voorstellingen in Lombok gespeeld. 1250 mensen hebben ze al zien optreden.
Na afloop spreek ik Willem, van Barcelona, de doffer. Hij is nog steeds verbijsterd dat hij het in zich heeft, toneelspelen. Dat geldt ook voor Joke, met haar grote bek, de enige die al toneelervaring had.
Jos Bours, verzamelaar van de verhalen en schrijver van het stuk, vertelt dat het nog helemaal niet zo zeker is dat Stut blijft bestaan. Hoe is het mogelijk. Als er één instelling is, die iets met kunst kan bereiken, en die mensen naar een toneelvoorstelling kan lokken die anders nooit naar een theater gaan, dan is het Stut wel.
Volgend seizoen gaan ze op tournee, ook buiten Utrecht, met Mijn Bitterzoet Lombok. Een uitgelezen kans voor al die politici die hun informatie over wat er speelt in het wijk alleen maar uit rapportjes halen. Dé mogelijkheid voor beleidsmakers, die hun beleid baseren op een culturele adviescommissie met een zeer elitaire blik, om te zien hoe je dagelijksheid kunt maken tot een voorstelling, want dat is toch de essentie van de kunst, en dat mag best wat kosten woar?
Want zoals een oud Turks spreekwoord zegt: Soms wordt een subsidieaanvraag gehonoreerd, en soms niet. Maar een subsidieaanvraag die wordt gehonoreerd, is mooier dan de subsidieaanvraag zelf.
Meer info: www.stut.nl