© Rob Huibers 2004

Het gouden fietsduo Bijlo-Huibers is er niet in geslaagd om op hun bij het station van Meppel gehuurde tandem de slotetappe in de Drentse fiets4daagse te winnen. De rit voerde van Meppel, via Koekange, Ruinen en de Wijk weer terug naar Meppel en had een lengte van 48 kilometer. Waar ging het mis? Hebben zij de druk, die als een loden last op de bagagedrager van hun rijwiel lag niet kunnen weerstaan? Zijn de talloze Drentse verleidingen die ze onderweg tegenkwamen hen fataal geworden? Een ontgoochelde Vincent Bijlo vertelt, gezeten in de grote tent van de organisatie, knabbelend aan een sneetje krentenwegge zijn verhaal.

"We hadden allebei het gevoel dat het er in zat vandaag. We voelden ons vanmorgen heel sterk. We hadden goed geslapen, onderweg naar Meppel stevig ontbeten bij een benzinepomp: kortom, we geloofden erin. Dat de tandem die we bij het station kregen uitgereikt te klein was, deed ons niets. Als je de wil hebt om te winnen kun je zelfs op een slof en een oude voetbalschoen kampioen worden. Slingerend en krakend reden we naar de startlijn. Het was er druk. Er stonden duizenden renners, in de leeftijd van 10 tot 91 jaar, de voedselpaketten en thermosflessen koffie op hun fietsen te binden. Wij hadden niets bij ons, misschien is het daarom wel zo verschrikkelijk fout gegaan."

Bijlo legt zijn hand op de lege stoel naast hem.

"Rob," zegt hij nauwelijks verstaanbaar, "Rob, mijn voorrijder Rob is even naar buiten gelpen. Het heeft hem erg aangegrepen. Hij kan het niet meer aanzien, hoe de trotse senioren hun medailles hier laten graveren. En nu hij even weg is, durf ik wel te zeggen dat het ook aan hem ligt, dat we niet hebben gewonnen.

Vijf minuten nadat we waren gestart stonden we alweer stil. Rob zag klederdracht, Drentse klederdracht, en daar moest hij foto’s van nemen. Alsof dat interessant is, zo’n door de VVV ingehuurde authentieke Drentse mevrouw die door Randstad is uitgezonden. We hebben zeker drie minuten verloren daar. Rob wilde pas weer verder nadat ik gedreigd had de koers vroegtijdig te verlaten.

We reden als gekken, richting Koekange, gingen over enkele pelotonnetjes renners heen, maar de kop van de wedstrijd kreeg Rob niet in zicht. Tot overmaat van ramp reden we zo hard dat we niet op tijd konden remmen voor de controlepost. Eigenlijk waren we toen al kansloos, zonder je gestempelde inschrijvingskaart word je gediskwalificeerd, maar we bleven er voor gaan. Wij koersten, wij stoempten het snot voor de ogen, zetten ons verstand op nul, de blik op oneindig. We denderden over de pittoreske betonnen fietspaden, die soms door akkers, dan weer langs loofgeboomte voeren, verder naar Ruinen. Honderden, meest hard pratende en lachende coureurs moesten eraan geloven. We slokten ze allemaal op, het leek wel alsof ze stilstonden. Maar vlak voor Ruinen was opeens de pijp leeg, bij ons allebei, precies tegelijk. We waren te lang doorgegaan, zonder meegenomen zachte kadetjes jonge kaas en oude koffie, en dat breekt je bij de Drentse fiets4daagse lelijk op, dan krijg je gegarandeerd een klap van de man met de hamer. Op onze laatste krachten, met het zuur in de benen bereikten we de Brink, waar we op een caféterras in hoog tempo chiabatta’s met Drents nagelhout naar binnen werkten, om het bloedsuikergehalte en de eiwitspiegel weer enigszins in balans te brengen. Als we daarna meteen weer waren doorgereden hadden we het misschien nog gered, maar er waren oude ambachten, op de Brink, die onze aandacht trokken. Er was een man die bezems maakte van riet, er was een oude orgeldraaier, die zijn kleindochter liet draaien omdat hij zelf een half jaar geleden een beroerte had gekregen. Het orgel bracht prachtige muziek voort. Oude liederen, die door honderden uitrustende renners op de terrassen werden meegezongen. Klassiekers als "Louise zit niet op je nagels te bijten" en "ain’t she sweet" schalden over de Ruinense Brink en brachten zelfs de hardste zwerfkei in een staat van vervoering.

Er waren imkers, die honing van hun eigen bijen aan de man brachten. Mooie honing, goed vol van smaak, waarin je de rijkdom van dit stukje onbedorven Nederland goed kon proeven. We kochten twee potten, zodat wij, gewapend met deze natuur-epo alsnog de overwinning zouden kunnen grijpen."

Hij zucht diep, terwijl achter hem op het kleine podium de huldiging plaatsvindt. De heer Mulder, met zijn 91 jaar de oudste deelnemer, betreedt met kwieke pas het toneel, en wordt getrakteerd op een stormachtige ovatie. Bijlo krimpt ineen en vervolgt met stemverheffing:

"Rob bleef maar foto’s maken. Van renners met op hun fietsstuur gemonteerde degelijke kaarthouders, van het orgeldraaimeisje, van de imkers, hij was niet meer van de Brink te slaan. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het er zelf ook gezellig vond. Het was er zo Meta de Vries, zo lekker weg in eigen land, zo jarenvijftig, en iedereen was zo aardig. Ik kreeg zomaar, van drie vrouwelijke renners die voor de drieëntwintigste keer meededen en elk oneffenheidje, iedere bocht, elk schaap langs de route kenden een krentenbol in handen geduwd, en een kopje koffie. Het was lekkere koffie, met liefde gezet.

Maar wat heb je aan gezelligheid in de sport. Wij rukten ons los, we moesten verder. We reden de gleuven in het asfalt, Rob deed al het kopwerk, dat kan niet anders op een tandem. Hij hield mij uitstekend uit de wind. We spraken nauwelijks meer. We reden in één streep door tot De Wijk, waar we bij de bevoorrading een blikje cola kochten.

En verder ging het weer. Van de laatste 8 kilometer naar Meppel kan ik me weinig meer herinneren. We reden langs een snelweg, dat weet ik nog wel, en hielden gelijke tred met de daarop rijdende auto’s.

Vlak voor de finishlijn, ik had mijn handen al klaar om in de lucht te steken, is het gebeurd. Het ging zo snel, er was geen tijd om te reageren. Vanachter mijn rug dook hij plotseling op, meneer Mulder. Rob schakelde, maar het versnellingsapparaat haperde. Hij zoefde ons voorbij. Hij klopte ons op een manier, waarvoor wij allebei ons petje afnemen. Fluitend, met beide vingers in zijn neus gaf hij ons het nakijken."

Bijlo’s voorrijder Rob gaat naast hem zitten en legt troostend zijn arm om Bijlo’s schokkende schouders.

"Volgend jaar beter," zegt Rob, "dan is er weer een Drentse fiets4daagse. Dan proberen we het toch nog een keer?"

Op het toneel zet de band "we’ll meet again" in. Iedereen zingt mee, jawel, ook Bijlo en Huibers. Het zijn sportieve jongens, maar tegen meneer Mulder kunnen ze gewoon niet op. Die zal voor hun waarschijnlijk altijd wel een maatje te groot blijven.