1

Ik heb al zes keer de voicemail van mijn minister ingesproken. Ik heb input nodig, want de hele dag word ik gekgebeld door journalisten. Ze is niet zo handig met mobieltjes, mijn minister, dus het zou kunnen dat ze niet weet hoe ze haar telefoon moet opnemen, ze heegt sinds vandaag een nieuwe. Haar oude is gisteren gestolen tijdens een werkbezoek aan een achterstandswijk in Rotterdam. Vandaag opent ze een nieuw Verwijdercentrum voor afgewezen asielzoekers. We moeten daar een ander woord voor verzinnen, het klinkt te onvriendelijk, Verwijdercentrum. Het klinkt als "hakselmachine", vind ik. Eigenlijk zijn we al te laat, de term heeft al ingang gevonden in de pers. Ik las vanmorgen al vier koppen met het V-woord, zoals wij het op het departement noemen. Het moet een human touch krijgen, men moet er iets bij gaan voelen. Het moet iets onontkoombaars uitdrukken, maar wel met een menselijk gezicht. Ik heb er de hele nacht in het koude, lege bed over liggen denken. Ik heb wel honderd alternatieven opgeschreven. Heenzendcentrale, vertrekhuis, terugstuurinstituut… Daar gaat mijn telefoon weer. Het is de Wereldomroep. Een boze man blaft mij toe dat hij het gerucht wil checken. Bij mij valt niets te checken, maar dat zeg ik natuurlijk niet.

"Geruchten zijn geruchten, op geruchten baseer je geen beleid. De minister is op dit moment aan het werk en kan in dit stadium, gezien de complexiteit van de materie, geen enkel gerucht bevestigen."

O, ik zeg het fout. Ik weet al wat de boze man gaat vragen. En ja hoor, ik hoor hem al zeggen: "niet bevestigen, maar ook niet ontkennen." Geruchten moet je altijd ontkennen, dat had ik meteen moeten doen, maar ik was nog met mijn hoofd bij dat Verwijdercentrum, dat Oprotgebouw, die Grensterminal. Ik heb opeens ontzettend veel zin in een broodje hamburger. Ik zal deze idioot eens even snel de mond snoeren.

"Ik ken de geruchten, en als de tijd daar is, zal de minister die bevestigen of ontkennen, en daar wilde ik het graag bij laten."

"Wat bent u nou voor een woordvoerder."

"Hoe was uw naam?"

"Van der Aarden, van de Wereldomroep."

"Goed, tot ziens, meneer Van der Aarden."

Die komt op de zwarte lijst. Zo ga je niet met woordvoerders om, wat denkt hij wel, die krijgt voorlopig geen interview met de minister.

Terwijl ik naar de kantine loop gaat weer mijn telefoon. Het Radio 1-journaal. Ik zucht diep en zie vanuit mijn ooghoeken dat er geen hamburgers zijn, het is Gezondweek in onze kantine. We moeten deze week verplicht selderij eten en sapjes drinken, geperst uit vruchten waar ik nog nooit van gehoord heb. Opdonderhospitium, repatriëringpaviljoen… Ik loop wel even naar buiten, hier tegenover zit een Burger King, ik ga een Wopper nemen, een Big Wopper, anders kom ik deze dag nooit door.

"Nee, geen commentaar, sorry, de minister eet een Wopper, pardon, is aan het werk. Ja, dat zei ik, eet een Wopper, ik eet een Wopper, sorry, mijn fout, het is een hectische dag vandaag."

Ik sta inmiddels buiten, voor de grote schuifdeuren. Ik wurm me tussen de samenscholing van rokers door, koning Burger tegemoet.

2

Weerzin overvalt me als ik de eerste hap van mijn Wopper neem. Ik zit bij de Burger King tegenover ons departement. Ik ben gevlucht voor de Gezondweek die momenteel in onze kantine heerst. Wat heeft zo’n junkding een laffe smaak. Ik kauw en herkauw, het kost me moeite de amorfe massa door te slikken. Tijdens het vermalen van weet-ik-welk dier schiet me te binnen dat ik nu precies hetzelfde doe als de Vaderlandse pers. Kauwen en herkauwen op ondefinieerbaar materiaal, deze Wopper is niet meer dan het gerucht van vlees.

De hele wereld lijkt op dagen als deze te bestaan uit papegaaien. Ik weet zeker dat als ik vanavond naar het Journaal en Netwerk en 2Vandaag kijk, ik overal mijn eigen woorden terug zal horen. Het is allemaal de schuld van de minister. Ze is niet duidelijk genoeg, ik kan nou eenmaal van droesem geen klare wijn maken. Ik probeer haar nog maar eens te bellen. Mijn telefoon glijdt uit mijn vette Burgerhanden en klettert op de tegelvloer. Als ik hem opraap voel ik hem trillen. Ik neem hem op en nog voor ik de tijd heb mijn naam te noemen loeit de boze stem van de minister mij al tegemoet.

"Rogier!" Schreeuwt ze mij toe. Ze spreekt mijn naam altijd uit als een bevel, als ze mijn naam roept klinkt het als "kom hier!"

"Rogier, wat heb je gedaan man. Er staan hier honderden asielzoekers te juichen. De ene na de andere satellietwagen komt aanrijden. Ik word van alle kanten omhelsd en overladen met bloemen. Mensen vallen op hun knieën voor me neer."

Ik hoorde een wc doortrekken, ze was blijkbaar een toilet binnengevlucht.

"Net wilden ze me op de schouders nemen, terwijl het allemaal niet waar is. Er komt geen generaal pardon voor mensen die langer dan vijf jaar in Nederland zijn. Je had dat keihard moeten ontkennen."

"Sorry," zeg ik. Pardon, maar jij liet wel degelijk doorschemeren dat je daartoe geneigd was."

"Ik heb nooit iets laten doorschemeren, en je komt nu onmiddellijk hierheen, Rogier, en ik blijf op de plee tot je er bent. Jij gaat het zelf maar uitleggen, het is jouw schuld dat dit is gebeurd. O, wat verschrikkelijk, al die mensen, ze zijn zo blij, zo blij."

Ze hangt huilend op. Wat een trut, denk ik, terwijl ik mijn jasje aantrek, opsta en de resten van de Wopper in de prullenbak gooi. Ze zit in een Verwijdercentrum in Ter Apel, als ik nu wegga, duurt het zeker tweeënhalf uur voor ik daar ben. Ze kan toch niet al die tijd op de wc blijven zitten? Laat ik toch maar snel gaan, om te redden wat er te redden valt. En als ik dan toch in Ter Apel ben, kan ik misschien vanavond even naar Groningen, om even te kijken of het goed met Susan gaat.

Ik spreek haar naam hardop uit, als ik tien minuten later de snelweg opdraai. Susan, ik mis je, maar ik kom eraan, eerst nog even een paar honderd alsielzoekers teleurstellen.

 

3

Ik schuif aan in de file richting Utrecht. Ik moet naar Ter Apel, daar heeft mijn minister zich verschanst op de wc van een verwijdercentrum. Ze heeft mij bevolen haar te komen ontzetten. Ze zal nog even geduld moeten oefenen. Ik hoor net op de radio dat er 18 kilometer file staat richting Utrecht, er is een vrachtwagen met bier gekanteld. Proost!

Ik heb geen medelijden met mijn minister, het is haar schuld, ze had beter met mij moeten communiceren. Ik wil best het woord voor haar voeren, maar als zij mij niet van standpunten voorziet, lukt dat natuurlijk niet. Mijn telefoon gaat. Ik stop snel mijn oortje in mijn oor, achter mij rijdt een politiewagen, ook woordvoerders moeten zich aan de wet houden, en neem op. Het radio 1 journaal. Ik ben live in de uitzending. Ik hoor het op mijn autoradio, die begint ontzettend hard te piepen. Ik draai hem snel zacht, en terwijl ik weer een paar meter naar Ter Apel schuif luister ik naar de vraag, de enige die er vandaag toe doet. Ik haal diep adem, druk mijn middenrif naar beneden, maak mijn borst rond en antwoord met een van autoriteit bolstaande stem, die veel te hard is voor mijn Saab:

"nee, er komt geen, ik herhaal, geen generaal pardon. Alle berichten die daar vandaag over in de media zijn verschenen zijn gebaseerd op onjuistheden, op geruchten en kletspraat."

De presentator is hogelijk verbaasd. "Maar," zegt hij, "er staan bij het verwijdercentrum in Ter Apel duizenden mensen feest te vieren."

Ik voel dat ik een rood hoofd krijg. "Waarom," zeg ik, "zou je een verwijdercentrum openen als er niemand verwijderd zou worden?"

Daar weet hij geen antwoord op. Hij bedankt mij, en schakelt snel naar het verwijdercentrum, alwaar de verslaggever het nieuws aan de feestende menigte meedeelt. Ongeloof en woede beginnen hun strijd voor de microfoon uit te vechten. De woede wint uiteindelijk. Ik hoor mensen de verschrikkelijkste verhalen in de microfoon schreeuwen, alsof ze stante pede op het vliegtuig naar het land van herkomst worden gezet. Ze roepen om de minister, maar die is onvindbaar, en ik sta op het Prins Clausplein.

Ze komen me opeens allemaal mijn neus uit, laat ze toch opsodemieteren en mij met rust laten. Rust, dat wil ik. Weg uit die ambtelijke, wollige woordenbrij van gevallen van schrijnendheid en humane oplossingsgerichte processen . Weg uit die door in onbegrijpelijk jargon verpakte leugens. We zijn kinderen, dat zijn we. Kinderen die allemaal meedoen aan een vervelend spel, dat ze politiek hebben genoemd. Een spel dat er alleen maar op uit is om zoveel mogelijk rook in het gezicht van de tegenstander te blazen. Rook van taal, die het zich op het beleid ontneemt, zodat het makkelijker uit te voeren is. Ik ben de woordvoerder, de rookmaker, de roetgooier in de couscous van al die schreeuwende mensen op de radio. Ik weet het allemaal niet meer, ik wil naar mijn land van herkomst, naar mijn vrouw, Susan, van wie ik sinds een maand gescheiden ben, maar ik sta op het Prins Clausplein, en mijn hart doet pijn. Ik strijk erover, met mijn hand, en steek een sigaret op en denk dat het tijd wordt om mijn baan op te zeggen.

 

4

Er staan ME-busjes voor het Verwijdercentrum in Ter Apel als ik er, na een rit van drieënhalf uur, doodmoe en met hoofdpijn van te lang niets gegeten te hebben, arriveer. Her en der liggen vertrapte rozen, een paar knuffels, een in stukken gescheurd spandoek. Temidden van dat alles staat een cameraman. Hij raapt een ongeschonden Barbiepop van de grond op, trekt haar benen uit elkaar, scheurt haar kleren in repen en legt haar wijdbeens op haar rug op de grond, naast een half opgegeten boterham.

"Ga achter die pop staan," roept hij tegen zijn verslaggever. Hij doet het, breed grijnzend, en praat intussen met de regie in Hilversum. Hij zwaait naar me, hij heeft me herkend, en begint dan plotseling opgewonden te praten.

"Ja, Marianne," roept hij tegen de Hilversumse presentatrice, hij is blijkbaar in de uitzending, "er heerst hier een enorme verslagenheid in Ter Apel, het lijkt hier wel een slagveld. De bewoners zijn hier zojuist met charges van de Mobiele Eenheid het Verwijdercentrum ingedreven. Er is zeer hard opgetreden, je ziet het." Hij wijst op de Barbie. Het begint zachtjes te regenen, wat een timing. Alsof de cameraman een regenknopje op zijn camera heeft.

"Onder de bewoners van dit Verwijdercentrum zijn veel kinderen," vervolgt hij, "die hebben letterlijk voor hun leven moeten rennen. Het zijn kinderen die meestal al getraumatiseerd zijn door hetgeen ze hebben meegemaakt in het land van herkomst, kinderen die nu dus voor de tweede keer het slachtoffer zijn geworden van bruut, nietsontziend geweld." Hij legt een snik in zijn stem. "Ze zitten nu verslagen achter de ramen, te wachten, te wachten op de chartervlucht, de chartervlucht die ze naar een onzekere toekomst zal brengen. Er gloorde hoop vanmiddag, voor deze ontheemden, voor deze tussen angst en blijdschap heen- en weergeslingerde mensen. Er zou een generaal pardon komen, maar die hoop is een paar uur geleden door de woordvoerder van de minister met harde hand de nek om gedraaid."

Haastig duik ik weg in mijn auto en doe de deuren op slot. Ik start en rijd weg. Ik zie in mijn achteruitkijkspiegel dat de camera mijn auto volgt en hoor in gedachten de verslaggever zeggen: "de woordvoerder van de minister, die u daar weg ziet rijden, op weg naar zijn huis, zijn vrouw en zijn kinderen, want hij, hij mag wel blijven."

Ik ben net zo ontheemd als al die mensen achter die ramen, met dit verschil dat er niemand is die een vlucht voor mij boekt. Ik rijd om het Verwijdercentrum heen, zet mijn auto naast de vooringang neer, stap uit en loop op de marechaussees toe, die stram bij de deur de wacht houden.

"Heren," vraag ik, "weet u misschien waar mijn minister is?"

"Uw minister?" vragen ze tegelijk.

"Ja, ik ben haar woordvoerder."

"In het ziekenhuis in Groningen," zegt de langste van de twee, "ze is er niet best aan toe."

 

5

Voor de deur van het Groningse ziekenhuis staat een clubje rokers te kleumen in de regen. Ik herken er twee. Het zijn verveelde journalisten, die staan te posten en wachten op een teken van leven van mijn minister, die hier ergens binnen een of andere aandoening ligt te simuleren. Ik weet zeker dat ze simuleert, ze simuleert altijd als de grond onder haar voeten te heet wordt.

Ik parkeer mijn auto, stap uit en loop, terwijl ik mijn maag voel opspelen omdat ik lang niets gegeten heb, naar de hoofdingang. Plotseling komt er een auto met loeiende moetor op mij afrijden. Ik zie hem te laat, hij komt van links, en ik keek net even naar rechts, omdat iemand vanuit die richting mijn naam riep.

Ik spring opzij, ik voel dat ik door de lucht vlieg, maar ik kom niet neer. Ik zweef door een geluidloze leegte.

Heel veel later hoor ik een steeds luider wordende stem, die alsmaar dezelfde woorden herhaalt. Vier woorden hoor ik, "hoe" "voelt" "u" "zich", ik weet niet wat hij of zij ermee bedoelt.

Weer later hoor ik ze weer, de vier woorden, nu uitgesproken door een andere stem. Langzaam begin ik ze te begrijpen. Ik wil zeggen dat ik me nog nooit zo goed gevoeld heb. Ik ben van lucht, misschien wel van licht. Misschien ben ik wel dood.

Ik probeer "ga weg" te zeggen. Ik wil hier blijven, in deze warme, gewichtloze wereld, maar ik heb geen mond meer, ik kan niet praten. De stemmen worden harder en harder. Handen raken mij aan. Langzaam word ik zwaarder. Ik voel dat ik op mijn rug lig, en als ik mijn ogen wil openen zie ik pas dat het aardedonker is. Vreemd, waarom staan ze hier allemaal om me heen zoneer het licht aan te doen? Ik wil het ze vragen, maar ik heb nog steeds geen mond. Ik til mijn loodzware linkerhand op en leg hem op mijn gezicht. Het is van stof. Iemand pakt mijn andere hand.

"Rogier," zegt de stem van mijn minister, op een toon alsof ik een klein kind ben, "wat is er gebeurd! Wat heb je gedaan!"

Niet goed uitgekeken bij het oversteken, denk ik, maar ik zwijg, ik heb geen mond, de woordvoerder kan niet meer spreken.

"Gaat u alstublieft weg," zegt een onmiskenbaar Groningse stem, vlakbij mijn linkeroor, "hij heeft rust nodig."

"Weet u eigenlijk wel wie ik ben?" Snauwt mijn minister terug.

"Ja, dat weet ik, maar daar heb ik niets mee te maken."

Woedend hoor ik de minister opstaan, en ik strek mijn linkerhand uit naar de Groningse stem. Ze pakt mijn hand, ik knijp er zachtjes in. Ik heb een zeer goede woordvoerder.

6

Ik ben weer aan het werk! Ik heb nog wel last van duizelingen. Ook laat mijn geheugen me nog vaak in de steek. Dat is geen slechte eigenschap als je woordvoerder van de minister van asielzaken bent.

Drie weken heb ik in het ziekenhuis gelegen nadat ik was geschept door een auto, op het terrein van het Vertrekcentrum. De media waren ervan overtuigd dat ik het slachtoffer was geworden van een aanslag. Ze raakten er niet over uitgepraat. Wel tweehonderd keer lieten ze de video, die was gemaakt door een bewakingscamera zien, waarop de auto met twee inzittenden op me afstormde.

Groot was de teleurstelling toen bleek dat het ging om een minderjarige Marokkaan, die tijdens de rijles van zijn vader de macht over het stuur had verloren.

Ik was er erg opgelucht door, ik kon me niet voorstellen dat ik belangrijk genoeg zou zijn om een aanslag op te plegen. Toch ben ik een soort van held geworden. Overal waar ik kom krijg ik bemoedigende schouderklopjes, en staren de mensen zonder gene naar de enorme littekens, die nog zichtbaar zijn onder mijn ogen.

Mijn minister is trots op mij. Trots, dat ik nog leef en dat ik niet besloten heb, zoals ik wekenlang van plan was, mijn baan op te zeggen. Ze is aardiger voor mij geworden. Ze omringt mij met de grootste zorg. Soms vind ik haar zelfs lief. In tegenstelling tot de duizenden uitgeprocedeerde asielzoekers die wat haar en mij betreft zo snel mogelijk ons land dienen te verlaten.

We zitten bij de minister thuis tv te kijken. In Amsterdam is een demonstratie aan de gang tegen ons uitzettingsbeleid. De opkomst is laag, volgens ons en de politie. Er staan niet meer dan 5000 mensen. De organisatie houdt het op 20.000.

Op het podium staat een blinde cabaretier te oreren. Hij heeft het over beschaving. Hij zegt gedragen dat de echte schrijnende gevallen in Den Haag zitten. Ik voel mijn littekens zich samentrekken als ik glimlach. Wat ben ik blij dat ik niet blind geworden ben. Ik was er ontzettend bang voor, ik heb twee dagen niets kunnen zien vanwege de bloedstolsels die mijn hele gezicht overdekten.

Ik kijk naar de minister, terwijl ze koffie voor me inschenkt. Haar blik is vastberaden. Ze pakt de afstandsbediening van de salontafel en zet de tv uit.

"Kom," zegt ze, "als je je koffie op hebt, gaan we een stukje wandelen, in het park. Dat is goed voor je, en dan koop ik een ijsje voor je."

"Maar dan bestel ik het zelf," zeg ik, "ik ben tenslotte jouw woordvoerder.

 

7

We eten bami, mijn minister en ik, in een klein Chinees restaurant in Den Haag. Vanaf vandaag zeg ik Anita tegen haar, besluit ze. We tikken onze volle glazen rosé tegen elkaar.

Voor het eerst sinds ik haar ken zie ik en brede glimlach op het anders zo uitgestreken gezicht. Ze fluistert mijn naam. Haar knie raakt de mijne onder de wankele tafel. Ik schuif mijn stoel iets naar achteren. Dit mag en kan niet gebeuren. Ik laat me niet verleiden door een vrouw die twintig jaar ouder is dan ik. Ik mag haar graag, ze heeft me uitstekend opgevangen nadat ik was aangereden door een minderjarige Marokkaan, ik logeer nu al drie weken bij haar, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat wij…

Weer fluistert ze mijn naam. Behalve wrevel, weerzin en ergernis wekt die stem toch ook iets van opwinding bij mij op. Een pubergevoel dat me soms overviel als de Engelse lerares naar me lachte. Ik wil roepen, schreeuwen dat ze ermee moet ophouden, maar mijn lippen zijn stijf op elkaar geperst.

Ik heb altijd de antwoorden op de moeilijkste vragen van de pers paraat. Ik durf zonder blikken of blozen te beweren dat het in Somalië veilig is. Het is daar helemaal niet veilig, er worden nog dagelijks mensen geëxecuteerd die worden teruggestuurd, maar ons beleid is dat het veilig is, dus is dat zo. Ik kan zonder schaamrood op mijn kaken beweren dat mensen gerust naar Iran kunnen terugreizen, en dat ze daar geen haar gekrent zal worden. Als journalisten of hulporganisaties mij vragen hoe ik aan die informatie kom, dan zeg ik dat wij dagelijks monitoren. Wij monitoren alle landen van herkomst, 24 uur per dag. Wij hebben daar speciale gezanten voor, waarnemers, die niets anders doen dan monitoren, bij nacht en ontij, door weer en wind, soms zeer tegen de zin van de plaatselijke autoriteiten.

Ik ben in staat om zonder een spier te vertrekken ons terugstuurbeleid ten aanzien van de westelijke regio van Soedan te verdedigen. Het is er verschrikkelijk, groepen gewapende, veelal gedrogeerde strijders trekken plunderend, moordend, brandschattend en verkrachtend door het land, maar wij achten de situatie van een aard die maakt dat het mogelijk is de hier naartoe gekomen Soedanezen te repatriëren. Er deugt niets van ons beleid, dat weten we allemaal, maar ons beleid is ons werk, ons werk is politiek en politiek is niet meer dan zelf een waarheid bedenken. Wie de macht heeft bewijst alleen maar dat hij de best verkopende waarheid heeft bedacht. Zo is het, en niet anders.

Kortom: waar het mijn werk betreft, sta ik mijn mannetje. Ik anticipeer, pareer, ontken, bevestig, zeg met omhaal waar het niet op staat. Ik klamp mij de hele dag vast aan alle handvatten die mij zijn aangereikt tijdens mijn studie communicatiewetenschap. Maar hier, in dit kitscherige babi pangangkot, met zijn fonteintje dat maakt dat ik elk kwartier moet pissen, hier ben ik niet opgewassen tegen een oud mens dat een hip parfummetje heeft opgedaan en het ene na het andere glas hoofdpijnrosé haar ontdooide gezicht inkantelt.

Weer fluistert ze mijn naam. Vroeger kon ze die niet anders uitspreken dan op een knauwerige, blafferige, Nazi-achtige toon, maar nu klinkt hij fluwelig zacht. Hij klinkt alsof ik hem zelf voor het eerst hoor.

"Ik denk," zeg ik blozend, "dat de situatie bij u thuis te gevaarlijk is. Het lijkt me derhalve niet verantwoord de woordvoerder naar uw huis terug te sturen."

Ze lacht, veel te hard. Mensen kijken op van hun Kantonese specialiteiten. De ober vult haastig de glazen bij en werpt mij een spottende blik toe.

"O," zegt ze, "wat ben jij toch een grappige man. Zo geestig, zo ad rem. Ga dar eens op door?"

"Het zou," zeg ik plechtig, "daarom inhumaan zijn en amoreel bovendien…"

Ze giert het uit en slaat hard op tafel. Schaaltjes dansen op de réchauds.

"Maar ik," roept ze, "weet wel beter. Volgens Amnesty International en Human Right Watch is het bij mij thuis volkomen veilig! Nou jij weer."

"Als de minister dat zegt, dan is dat zo."

Ze rekent af, we trekken onze jassen aan en samen lopen we naar haar huis. Het is er warm en veilig, en eigenlijk heel gezellig. Ik word zo dronken dat ik de volgende morgen niet in mijn bed van herkomst wakker word.

 

8

Mijn minister heeft een personal coach. Een verschrikkelijke man. Hij is eigenlijk geen man. Hij ziet er meer uit als een prop slijm op pootjes.

Ze mag hem erg graag. Ze is zelfs al met hem wezen eten, bij dezelfde kleine PoepChinees waar ze met mij is geweest, op de avond van onze…

Verder ga ik niet, ik krijg het al benauwd als ik er aan terugdenk. De kater die ik van mijn eigen stommiteit heb overgehouden duurt nu al een maand. Ik ben de volgende dag, toen ik in haar bed wakker werd, meteen opgestaan en heb snel, terwijl zij nog sliep, mijn spullen bij elkaar gegraaid. Later op de dag heb ik haar gebeld, en gezegd dat het afgelopen moest zijn, en dat ik mijn ontslag zou indienen als ze doorging met haar avances. Ze huilde zachtjes, maar stemde toe.

En zo zat ik de daaropvolgende maandag weer achter mijn bureau alsof er niets gebeurd was. Het bloed steeg naar mijn kop, elke keer als ze ter sprake kwam. Iedereen moet het gezien hebben. maar niemand maakte insinuerende opmerkingen. Mijn kantoorgenoten waren aardig, zeiden dat ik er zo goed uitzag, dat ik al weer kleur op mijn wangen kreeg, schaamrood ziet er blijkbaar ook gezond uit.

Mijn minister hield zich goed aan de afspraken. Ze ging koel en zakelijk met me om, de werkverhoudingen waren uitstekend. Toch zag ik steeds in haar ogen een soort woede, nee, meer een getergdheid, en toen kwam ze plotseling met die wandelende slijmprop op de proppen.

Eugene, heet hij, en hij ruikt naar eau de toilette. Een soort wc-eend is hij eigenlijk, met een Donald Duckstemmetje. Of mijn minister het al met hem gedaan heeft weet ik niet, als dat überhaupt al mogelijk is, cohabiteren met een eend.

Wat ik wel zeker weet is dat ze met zijn tweeën aan haar imago aan het werken zijn. Volgens Eugene "komt dat niet goed bij de mensen binnen." Het "triggert de verkeerde gevoelens." Het is waar, Eugene heeft gelijk, maar hij triggert bij mij gevoelens van agressie, waarvan ik niet wist dat ik ze in me had.

Ze heeft een houding van: "wie maakt mij wat", volgens de slijmeend, en dat is niet de juiste approach. Mijn minister moet shiften naar een "helaas, helaas-attitude, een jammerhouding die een enorm brok betrokkenheid verraadt."

Ze is is in staat deze kwekprofessor onbewogen aan te horen. Erg knap, dat moet ik haar nageven. Als haar aandacht even verslapt roept Eugene: "doorpakken nou, verderbouwen aan je legopaleis, hier, laat me je nog wat stenen geven. Stop ze maar in je muur. Bouw dat kasteel maar, dat kasteel van hoop, van rechtvaardigheid. Maak het maar streng, maak het maar onneembaar, maar richt het van binnen goed in."

Dat is de wraak die ze op mij neemt, deze van staatswege gefinancierde sekteleider. De wraak is zuur, zeer zuur, ik moet elke dag overgeven, en ik heb al heel lang niets meer gegeten, dus gal is het enige dat ik opgeef, maar als het zo doorgaat, geef ik mijn baan ook op, binnenkort.

9

Vanuit mijn ooghoeken zie ik mijn minister smoezen met haar personal coach Eugene. Af en toe stijgt een hinnikend gelach op uit het groepje bobo’s dat om ze heen staat.

We zijn in Rotterdam, in een achterstandswijk. We "gaan vandaag het gesprek aan" met allochtonen. Dat betekent dat een zorgvuldig gescreend, gefouilleerd en gevisiteerd gezelschap brave burgers een vraag aan de minister mag stellen.

Een camera zoomt in op minister’s breed lachende gezicht. Goh, wat heeft zij aan haar imago gewerkt. En dat allemaal dankzij die dekselse Eugene. Hij staat erbij alsof hij met zijn nieuwe paard goud op de Olympische spelen heeft gewonnen. Kijk nou toch eens hoe ze een allochtone baby wiegt.

"och gossiegossiegossiegossie," zegt ze, "jij mag blijven ja, in ons lieve landje. En al je zeven broertjes en zusjes ook."

"Die mensen wonen al dertig jaar hier hoor," roept iemand uit het publiek keihard, in onvervalst eerlijk Rotterdams.

De minister kijkt geschrokken achterom, maar Eugene manoeuvreert zich handig tussen haar en de Rotterdammer. Het tafereeltje mag niet verstoord worden, er wordt gefilmd, door het Jeugdjournaal nog wel.

Een kek uitziende man in een leren jasje wiens gezicht mij vaag bekend voorkomt komt voor me staan. SBS6, staat er op zijn jasje.

"Zeg Ro," zegt hij. Ik heet Rogier, niemand heeft mij ooit Ro genoemd. Ik heb met deze man ooit eens een nachtlang zitten drinken in een Haags café herinner ik me plotseling, maar dat geeft hem nog niet het recht om Ro tegen mij te zeggen. Toch beantwoord ik zijn smile, ik ben sinds Eugene aan mijn minister geplakt zit wel ergere dingen gewend.

"Ro, ik moet even met je praten. We hebben goud in handen jongen, wij, bij SBS, en daar ga jij aan meewerken."

We draaien ons om en lopen langzaam van de hobo’s en de modelturken weg.

"Laten we een biertje nemen," stelt S voor, ik noem hem maar S, van SBS6, ik ben zijn naam vergeten. We lopen langs tientallen shoarmazaken, onsmakelijke slagerijen, kebabtehuizen en andere bierloze etablissementen tot we een oud, morsig bruin cafeetje vinden.

S bestelt bier en gaat tegenover me zitten. Hij grijnst. Hij trilt van opwinding. Het lijkt wel of hij opzwelt en de gammele tafeltjes om ons heen met zijn aanwezigheid wegduwt.

Hij legt me een plan voor. Een plan, voor een nieuw showprogramma. Een plan, zo zo respectloos, zo verschrikkelijk mensonterend, zo lomp en brutaal, dat de tranen in mijn ogen schieten van het lachen.

Hij haalt nog twee glazen en intussen hang ik slap in mijn halfverrotte caféstoeltje. Sinds Eugene, die stinkende slijmprop niet meer wijkt van mijn minister’s zijde heb ik niet meer zo gelachen.

Een quiz, met als werktitel: Wie mag er blijven? Een keiharde strijd tussen asielzoekers, met als hoofdprijs een verblijfvergunning.

"Zou de minister aan het eind van het programma die verblijfsvergunning willen overhandigen?" Vraagt S. Wat een domme, naïeve, belachelijke vraag. Natuurlijk niet.

"Ja hoor," zeg ik, "met alle genoegen." We trekken onze agenda’s, ik noteer de datum van de eerste opname, en spreek voor de minister af dat ze er bij zal zijn.

Ik zal haar eens flink, nationaal voor lul zetten, dat heeft ze tenslotte met mij ook gedaan, met die klotencoach van haar.

10

S is zenuwachtig. IJsberend en kauwgumkauwend loopt hij over de studiovloer heen en weer. S is producent van de nieuwe SBS-quiz "Verliezen=Vertrekken!"

Intussen zweept de floormanager het publiek op. Hij oefent het applaus.

"Kijk straks goed naar dit bordje," roept hij naar de tribune. Hij steekt een bordje met in grote letters "applaus" erop omhoog. Een donderende ovatie vult de studio. Hij vindt het nog niet hard genoeg. Het klapvee laat zich gewillig bedienen door zijn arm, en na een minuut of tien is de stemming "toppie", vindt hij.

De regisseur telt af, en daar gaan we, live de lucht in.

Een vette stem knalt uit de speakers. "Verliezen=Vertrekken, een razend spannende race tussen tien allochtonen. Er kan er maar één blijven, want vol is vol. Wie wint die zo felbegeerde verblijfsvergunning? Sms de naam van uw favoriete kandidaat naar 7070, het kost maar 1 Euro 25, geen geld, misschien redt u er wel een leven mee."

Schallende trompetten, paukengeroffel, applaus, en daar komen de allochtonen de trap af.

Mijn minister zit in de make upkamer. Ze heeft nog geen idee wat ze moet doen. Als ze zou weten, dat ze straks aan de winnaar die zo felbegeerde verblijfsvergunning moet uitreiken, zou ze subiet opstappen. S weet dat, ik heb het hem verteld, dus we hebben de minister wijsgemaakt dat ze straks, onder het oog van de camera en miljoenen kijkers, bedankt zal worden door tientallen asielzoekers, die behoorden tot de zogenaamde schrijnende gevallen, en voor wie ze met haar hand over haar hart heeft gestreken.

Kwebbelend met Eugene en de make updames heb ik haar achtergelaten. We hebben de make updames laten beloven dat ze de monitoren, waarop de uitzending te zien is, niet zullen aanzetten.

De allochtonen staan intussen achter hun deskjes, en beantwoorden inburgeringsvragen.

Het zijn ja/neevragen, om het ze niet meteen al te moeilijk te maken.

Kun je rookworst roken?

Is een zondags uitje een soort ui of een tripje naar de Efteling?

Is balkenbrij een gerecht of onze premier?

Er wordt gelachen, geklapt en tijdens het optreden van een Marokkaanse rapper gaan de lijnen open voor de eerste stemronde.

Mohammed gaat aan kop, gevolgd door Muhammed en op de derde plaats staat Abdullah, die graag automonteur wil worden.

Er volgen nog drie spelrondes, met vragen over normen en waarden, eetgewoontes en versieren en verleiden.

Er wordt veel ge-smst, de spanning is te snijden. Mohammed en Muhammed liggen nek aan nek. De rest mag zijn biezen al pakken, en zal straks, gevolgd door een camera, met een busje naar het vertrekcentrum in Ter Apel rijden.

Ik loop naar de make upkamer, het wordt tijd om mijn minister nationaal voor lul te zetten, dat heeft ze verdiend.

11

De stemming is uitstekend in de make upkamer. Mijn minister zit met rode konen witte wijn te nippen. Eugene staat naast haar, zijn hand op haar schouder. Zo te zien en te horen vermoeden ze niet in welke val ze zullen lopen. Ze zijn elkaar moppen aan het vertellen, over een turk die een kleedje aan het uitkloppen is, en een Nederlandse buurman, die dan aan hem vraagt: "Wil hij niet starten?"

Eugene lacht, giert, hinnikt, zijn lachen lijkt nog het meest op het geluid van een cirkelzaag.

"Het is tijd!" Roep ik boven hun respectloze gebral uit. "We moeten naar de studio!"

"Ik heb er zin an," zegt mijn minister, terwijl ze wankelend opstaat. Ze boert, en stoot tegen een tafel aan, waarop flesjes schmink staan. Eugene weet nog net te voorkomen dat ze breken. Hij legt zijn arm om haar middel, en voert haar de gangen door, in de richting van de schallende trompetten en de roffelende pauken.

Weldra zal ze nationaal voor lul staan, zal ik het leukste moment uit mijn carrière als woordvoerder tot nu toe beleven.

"Sorry Anita," zegt Eugene tegen de minister, "zo kan je het podium niet op."

"Hoezo niet?" Roept ze jolig. "Donder toch op man, dan ga ik wel met Rogier."

Voordat ik besef wat er gebeurt, geeft ze Eugene een duw en grijpt ze me bij mijn armen Ze duwt me de studiovloer op.

"Daar zijn we," schreeuwt ze, terwijl er een ovationeel applaus losbarst.

De presentator komt zwierig op ons afgelopen met een enveloppe in zijn hand.

"Minister minister, u bent net op tijd. De stemmen zijn geteld, en het is aan u om dit ticket tot verblijf in ons mooie landje, dit woonbrevet voor Nederland, zoals ik het ook wel eens noem, dit paspoort voor vrijheid, deze sleutel tot de tolerante samenleving, kortom, het is aan u, om nu, live, voor het oog van meekijkend Nederland, de verblijfsvergunning uit te reiken."

De minister laat weer een boer en leunt zwaar op mijn schouder.

"Wat sta je te bazelen, man," roept ze. "Een verblijfsvergunning? Ik weet nergens van. Ik kom hier om bedankt te worden, door de schrijnende gevallen."

De zaal buldert van het lachen, en klapt, zonder dat de floormanager zijn bordje met "applaus" omhoog hoeft te houden.

De presentator stottert, stamelt, lacht zenuwachtig en wendt zich tot mij.

"Naast de minister staat haar vaste woordvoerder, want, mensen, wat is een minister zonder woordvoerder."

"Ik kan hem missen als kiespijn," brult ze. Weer buldert de zaal.

"Lieve, lieve, lieve mensen," zegt ze plotseling, dronken dramatisch, met haar mooiste Adele Bloemendaalstem, "ik weet het goed gemaakt met jullie. Niemand hoeft mij te bedanken, vanaf vandaag zijn er geen grijnende schrevallen meer. Iedereen, horen jullie dat, iedereen, ik heb een goede bui, iedereen mag blijven! Bij deze kondig ik een generaal pardon af!"

De studio ontploft niet van het gejuich, er valt een ijzige, doodse stilte, en ik weet, dat mijn minister, Eugene en ik vanaf nu werkloos zijn.

12

Voor me op tafel liggen de vier ochtendkranten. Alle voorpagina’s zijn opgesierd met dezelfde foto. Vlnr: De presentator van Verliezen=Vertrekken, de minister van integratie en haar woordvoerder.

De koppen liegen er niet om.

"Dronken minister brengt land in rep en roer"

"Gul generaal alcoholpardon"

"drank maakt kabinet kapot"

"minister spoor bijster"

Nadat mijn minister in de uitzending van Verliezen=Vertrekken met haar bezopen kop een generaal pardon voor alle 26000 asielzoekers had afgekondigd, was het een paar seconden ijzig stil geweest in de studio, en daarna was er een enorme chaos uitgebroken. Eugene was woedend op ons afgestormd, had de minister een enorme optater verkocht, en wilde dat met mij ook doen. Ik was haastig achter een desk van een allochtoon gedoken. Al die tijd draaiden de camera’s. Er begonnen mensen te zingen, te klappen, de minister werd op blije schouders gehesen en een polonaise ging rond. De allochtonen waren zo te zien al behoorlijk ingeburgerd. Het was een bizar, spontaan feest geworden. SBS had het nieuws ervoor uitgesteld. Het nieuws vond live plaats op de studiovloer.

Binnen een uur stond het land op zijn kop. In alle dorpen en steden werden spontane barbecues op pleinen georganiseerd. De hele avond zonden alle netten beelden uit van mensen die elkaar huilend in de armen vielen, allochtoon, autochtoon, blank, zwart, bruin. ER werd vuurwerk afgestoken, auto’s reden toeterend door de straten.

In perscentrum Nieuwspoort belegde de premier haastig een persconferentie. Hij stamelde, op de voor hem gebruikelijke wijze, in microfoons. Het was niet waar, zei hij, hij wist van niets, en raadde ons allen aan naar binnen te gaan en het hoofd koel te houden. Hij achtte het verstandig om de minister te spreken, aangezien ze niets met hem overlegd had.

Hij werd van alle kanten door alle journalisten uitgelachen, vierkant in zijn gezicht. De stemming was jolig, de drank vloeide rijkelijk, ook in de Marcus Bakkerzaal, daar in perscentrum Nieuwspoort.

Steeds wanhopiger en sneller begon de premier te praten, over de noodzaak tot beheersing, en dat we geen gekke dingen moesten doen, en dat zo’n beslissing een zaak is van het hele kabinet. Niemand hoorde hem nog, en hij verliet door een achterdeur het pand.

Drie uur later bood hij, veilig verschanst in zijn Torentje, het ontslag van het voltallige kabinet aan, en stelde hij zijn portefeuille als leider van het CDA ter beschikking.

Ik ben mijn baan kwijt, maar ik ben mijn minister eeuwig dankbaar dat ze dat voor elkaar heeft gekregen. Ik zal daar vanavond met haar eens een borrel op gaan drinken.

13

Het is nog steeds een enorme chaos in Nederland. Het is nu een maand geleden dat het voltallige kabinet aftrad, na een dronken optreden van mijn minister bij de commerciële televisie. Niemand weet meer waarom het allemaal te doen was. Avond aan avond wordt er op alle netten gediscussieerd over de staat van het land. Elke dag treedt er wel een minister af. Dat schijnt namelijk te kunnen, ook demissionaire ministers kunnen aftreden.

Die van mij was de eerste. Toen volgde de minister van Binnenlandse Zaken. Hij is verwikkeld in een afluisterschandaal. Men was erachter gekomen dat hij microfoontjes in de speciale schoenen van de premier had verstopt. Dat maakte zijn positie onhoudbaar, alsmede die van de minister van justitie, die tot overmaat van ramp een verhouding bleek te hebben met de beheerster van de rijwielstalling der Tweede Kamer.

Niemand weet meer hoe het verder moet. En op radio en televisie woedt intussen de campagne "Nederland, niet kapot te krijgen." Het land is naar de kloten, naar de gallemiezen, kaduuk. Zelfs het afgescheiden rechtse kamerlid zit met de handen in zijn haar. En wat doet Links? Links kiest voor goud, Links zwijgt, het beste dat je in deze tijden kunt doen. Zwijgen is, zo heb ik ooit geleerd van professor Drop, mijn communicatieleermeester, in tijden van communicatieve overkill de beste optie. Men zendt signalen uit door ze niet uit te zenden. Je bewijst op die manier zwijgend je gelijk. Het enige dat je kunt doen om je te wapenen tegen de informatie-tsunami is vluchten, en je heil hogerop zoeken.

Ik ga hogerop. Ik ben intussen officieel werkloos, ik sta op wachtgeld. Ik heb vanmiddag een gesprek gehad met onze grote oppositieleider. Ik ken hem al langer, we mogen elkaar erg graag, en hij heeft geen woordvoerder!

Vanaf volgende week ga ik zwijgend rijk worden. Ik ga dit land bijstaan om het in rustiger vaarwater te krijgen. Ik ga proberen om het woord weer terug te krijgen naar waar het hoort. Het woord is er voor bedoeld om gedachten te formuleren, om met een open vizier te kunnen debatteren. Het moet ontdaan worden van insinuaties en manipulaties. Daar ligt mijn toekomst. Ik ben een gelukkig man, in woelige tijden. Ik heb zelfs een nieuwe vriendin, maar dat mag niemand weten, dus daar zwijg ik over. Mijn hart klopt Links, op het ritme van de tijd.

14

Hier zit ik, aan een nieuw, leeg bureau, met een heerlijk zomende computer naast me, en met uitzicht op besneeuwde Haagse bomen. Door het raam, dat op een kier staat, ruik ik de tintelende geur van zon op sneeuw, de geur van skipistes, van vakantie.

Het is nog nooit zo licht in mijn hoofd geweest. Vanmorgen heb ik mijn nieuwe kinderen per slee naar de crèche gebracht. 1 en 3 zijn ze, en ze noemen me al papa. Ik woon pas drie weken bij ze, dingen kunnen snel veranderen, anno 2005. Ik heb mijn morsige Haagse etage verruild voor de grote, lichte, warme Scheveningse villa van hun moeder. We wonen op nog geen honderd meter van het strand. Als we het sombere rapport mogen geloven, dat hier naast mij op mijn bureau ligt, zal ons huis binnen twintig jaar verzwolgen zijn door de zee. Die voorspelling drukt mijn stemming niet, integendeel. Nog 20 jaar, wat een zee van tijd, wat een prachtig vooruitzicht.

Ik kan weer lachen. Toen ik vanmorgen in de spiegel keek, zag ik niet meer die Haagse cynische kop, die hier onder mijn raam in honderdvoud rondloopt. Ik keek in het gezicht van een man, die weet dat zijn tijd is gekomen.

En zo zit ik hier, met die zoemende computer, en dat sombere rapport, en een montere oppositieleider, die zit te glimlachen om de nieuwste peiling, waarin hij op 68 zetels staat. Ik glimlach ook, want ik, en niemand anders dan ik, ben zijn woordvoerder en zijn campagnestrateeg.

We zullen snel een strategie moeten bedenken. Gisteren heeft het laatste demissionaire lid van het kabinet dat er nog over is, de staatssecretaris van milieu, bekendgemaakt dat er nieuwe verkiezingen komen, over drie maanden al. Wij zullen in die tijd antwoorden bedenken, want als er iets is, waar dit land behoefte aan heeft, dan is het wel aan antwoorden. Wij zullen de kiezer laten zien, dat Links de politieke correctheid ver achter zich gelaten heeft. Links is klaar voor de macht, Links heeft een stem die krachtiger is dan ooit. Weg met die oude, flauwe woordenbrij, die verbale pap van pappen en nathouden. We bedekken het poldermodel met een verse laag maagdelijk witte sneeuw. We gaan keuzes maken. We gaan alle fouten van het kabinet Halfbakken herstellen. Dat zal lang duren, maar als er iets is, dat wij hebben, dan is het een lange adem. Een lange, tintelfrisse adem., Links zal niet langer op de hijgerige toon van de dag spreken. Links laat zich niet meer beschuldigen van het mislukken van wat voor samenleving dan ook, Links laat zich niet meer in het verdomhoekje drukken. Links weet nu dat de meeste verwijten aan haar adres komen van de partij die zelf na de oorlog het langst aan de macht is geweest. Het wordt tijd voor een nieuwe Nederlente, en daar ga ik aan werken, maar ik ga eerst even koffie halen.