De woordvoerder

 

 

 

 

 

Vincent Bijlo

De woordvoerder

Roman

Uitgeverij De Arbeiderspers

Amsterdam $ Antwerpen

 

Copyright 8 2003 Vincent Bijlo

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Herengracht 370-372, 1016 ch Amsterdam. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission from bv Uitgeverij De Arbeiderspers, Herengracht 370-372, 1016 ch Amsterdam.

Omslag: una (Amsterdam) Mijke Wondergem

isbn 90 295 0441 2 / nur 301

www.boekboek.nl

 

Voor Mariska

 

 

 

 

 

 

 

 

Het regent al de hele dag, zoals het hoort, want vandaag wordt Aad begraven. Wind is er nauwelijks, en het is een graad of vijftien. De taxichauffeur heeft mij op de parkeerplaats achtergelaten, tussen de wachtende mensen. Hij heeft bemoedigend op mijn schouder geklopt en is snel verdwenen.

Er wordt gekucht, veel gekucht, onverstaanbaar gemompeld en zenuwachtig met schoenen op de grond getikt. Het moet hier vol staan met bekenden, maar ik herken geen enkele stem. Niemand spreekt mij aan; de dode, daar gaat het om. Terecht, maar ik sta er wel héél alleen bij. Ik moet vlak bij de ingang van de aula staan, ik ruik kamfer en bloemen, en koffie. Niet onze koffie, die wordt over een uur pas gezet, maar koffie van de dode die net begraven is. In de verte hoor ik Bach, en een man met een zalvende stem noodt ons vriendelijk naar binnen. Al die mannen, van al die uitvaartondernemingen die tot nog toe mijn pad hebben gekruist, hebben exact dezelfde stem. Zouden ze thuis ook zo praten?

Men zet zich in beweging. Ik laat mij meevoeren, en ik begin me ongerust te maken. Hoe moet ik straks het spreekgestoelte vinden? We hebben afgesproken dat ik namens het campagneteam het woord zal voeren. Is er nou helemaal niemand van dat team die mij ziet staan, en die kan bedenken dat ik in deze omgeving, waar ik nog niet vaak geweest ben, zodat ik weinig heb kunnen oefenen om verkenningen van het terrein uit te voeren, de weg niet ken.

Ze hebben maandenlang de meest krankzinnige dingen kunnen bedenken. Ze hebben onze leider, die daar nu ergens moet liggen, naar een homofestival gestuurd, naar dementerende bejaarden, naar junks, alcoholisten, alcoholische junks, Turken, Marokkanen, Afghanen, Kaapverdianen, gok- en seksverslaafden, jongdoven, oudblinden, Vinexlocatiebewoners, herintredende moeders, zorgvaders, hangjongeren, terminalen. Ze hebben hem naar illegaal in Nederland verblijvenden willen sturen, maar die waren nergens te vinden. Ze hebben zelfs, overigens ben ik daar ook medeplichtig aan, een familie en vrienden verzonnen voor de man, die nu, als enige van ons allemaal, niet naar Bach luistert. Dat hebben ze allemaal bedacht, maar bedenken dat ze mij nu even een hand moeten toesteken, dat kunnen ze niet.

Aad was eenzaam. Hij was een man die leefde van en voor de politiek. Hij was, zoals hij meermalen vertelde, voorbestemd premier van dit land te worden. Dat zat zo in zijn genen, nam ik aan. Er waren er meer die op die manier erfelijk belast waren. Niet dat zijn vader of moeder een hoog ambt had bekleed, dat waren lieden van eenvoudige komaf, zoals het hoort, maar hij wist het zeker, hij zou ons bij de hand nemen, en leiden naar een glorierijke toekomst. Een toekomst waarin we ons niet meer hoefden te schamen voor het feit dat we Nederlanders zijn. Een toekomst ook waarin er geen plaats meer was voor de tulpenbol, het spruitje, klompen, windmolens en vrouw Antje, verstofte iconen van een Nederland dat al lang niet meer bestond. Nee, de rokende pijpen in de Botlek, de Oostvaardersplassen, de Oosterscheldekering, de Westerscheldetunnel, de zweeftrein, dat moesten de pijlers worden die ons beeld in den vreemde schraagden. Nederland moest een dynamisch land worden, waarin men er op wonderbaarlijke wijze in geslaagd was, gegeven de beperkte ruimte, een balans te vinden tussen industrie en landbouw, tussen werk en recreatie, tussen natuurbeheer en de toenemende mobiliteit. Ons land moest een benijdenswaardig voorbeeld voor heel de wereld worden. Alle toeristen zouden, als ze hier een aantal dagen mochten doorbrengen, van de ene verbazing in de andere vallen. Er zouden, zo verzekerde Aad ons trots, geen buitenlandse vakantiegangers zonder opgetrokken wenkbrauwen van verbazing rondlopen. De oooh's en aaah's zouden constant door de straten schallen. Aad zou dat allemaal realiseren, maar dan moesten wij er zorg voor dragen dat hij dat ook zou kunnen, op onze schouders rustte de zware, misschien soms zelfs loodzware taak, hem premier van dit land te maken.

Hij had iets verbetens, iets krampachtigs. Hij, en hij alleen stond voor iets, waarvan wij het belang nog niet helemaal inzagen, maar hij des te meer. Daarom moesten wij als campagneteam alles op alles zetten om hem in staat te stellen de ideeën, die, en daar twijfelde hij geen moment aan, voor ons allen voorspoed en vrede zouden brengen, vorm te geven en uit te werken in zijn hoedanigheid als premier. Hij kon daar niet genoeg op hameren. Hij had in het campagnekantoor een enorme poster van zichzelf opgehangen, met daaronder de tekst: `Doe alles voor mij!' Ik had er geen last van, ik zag hem niet, maar mijn medecampagneteamleden klaagden vaak over psychische blokkades, zweethanden, een droge mond, hoofdpijn en neerslachtigheid, vanwege de priemende blik die op hun werk neerkeek, en alles wat ze deden scheen te veroordelen.

Aad had een stem die doorgaans maar drie dingen kon: brullen, dat was het meestgebruikte register, donderen en sneren. Zijn sneren gingen door merg en been, sneden als een mes door onze vermoeide hersens. Zeker in de laatste dagen voor de verkiezingen, toen hij de controle op de gang van zaken verloor. Als hij nu, liggend in zijn kist, in staat zou zijn zo'n sneer ten beste te geven, zou het deksel over de hele lengte openrijten. Toch was de macht van Aads stem zeer beperkt. Men luisterde slechts naar de toon en niet naar de inhoud. Men parodieerde zijn sneren vaak, slechte cabaretiers maakten er veel furore mee, als je zelf het talent niet hebt, misbruik je dat van anderen gewoon. Zijn brullen, en vooral zijn donderen deed het altijd goed in cafés, je kon er de ruimte prachtig mee vullen, daarbij je bierwalm tot in alle hoeken van het dranklokaal verspreidend.

De badkamer was zo'n plaats waar ik Aad vaak nadeed. Ik sneerde de tegeltjes bijkans van de muren, liet hem woedende tirades houden, over haar met dode punten waaraan de oorlog verklaard diende te worden. Hij brulde de roos uit mijn haren. Ik was altijd enigszins beschaamd als ik zo'n opluchtende woordenvloed tegen de douchekop had afgestoken. Ik werkte immers voor hem. Toch merkte ik, als ik mij afdroogde en zijn woede in de afvoerput verdwenen was, dat ik het geloof in hem begon te verliezen. Ik verdrong die gedachte; na de verkiezingen zou er nog genoeg tijd komen om na te denken. Bovendien vond ik dat ik hem niet belachelijk kon maken. Ik was binnen het campagneteam zijn vertrouweling. Ik was de enige die wist dat zijn stem ook heel anders kon klinken.

Ik had die positie te danken aan het feit dat Aad mij persoonlijk bij het campagneteam had ingelijfd.

 

 

 

 

 

 

Vier maanden geleden was het allemaal begonnen. Op 10 september, om precies te zijn. Ik speelde die avond in Amsterdam mijn theatervoorstelling Otto werkt. Het was een woedende, anderhalf uur durende monoloog over De Wereld. Het ging namelijk, dacht ik, niet goed met De Wereld. Wij waren slaven van de commercie geworden. Wij liepen aan de leiband van de multinationals, werden dag in dag uit gehersenspoeld met nog weer betere shampoos, schoonmaakmiddelen die het hele huis naar bloemenfestijn lieten ruiken, slanker frituurvet, op maat gesneden hypotheken en toverpotjes om het het bintje zo makkelijk mogelijk te maken. We waren murw gebeukt. Ontsnappen was niet mogelijk. Waar moest je heen? Het was overal hetzelfde. Overal waren vestigingen van McDonald's, overal waren Blokkers en Zeemannen.

De zaal zat halfvol, de thuisblijvers hadden meer vertrouwen in De Wereld dan mijn publiek. Het was een mooie avond. Ik wist het zo verdomd goed te verwoorden. De wereld was een bak patat geworden. Je moest snel doorvreten, anders werd hij koud. Geld was de enige religie die wij nog hadden. Alles draaide om Geld. Geld zij met ons, Geldverdomme. Maar als je het Geld niet had, als je niet mee kon doen aan die gekte, dan was je de lul. Er moesten optieregelingen komen, vond ik, voor uitkeringsgerechtigden. En zo ging ik maar door, rammen, met de botte bijl, ik had er echt zin in die avond. Anderhalf uur lang, scherp, cynisch, sarcastisch, donderen, brullen en sneren, dat deed ik.

Na afloop werd er op de deur van mijn kleedkamer geklopt. Voordat ik `ja' had kunnen roepen zwaaide hij al open en sloeg hij hard tegen mijn hoofd. Ik stond net een glas water te drinken in de krappe, met nutteloze spiegels behangen ruimte.

`Ik wilde je bedanken,' zei iemand die me een krachtige hand gaf. Hij stelde zich niet voor. Dat hoefde ook niet, ik herkende zijn stem onmiddellijk. Ik had hem al vaak op de radio en de televisie gehoord, hij was net een week eerder aangetreden als leider van de partij.

Ik was verbijsterd. Ik had iedereen verwacht daar, in Amsterdam, maar niet Aad de Boer.

`Ik heb een biertje voor je meegenomen. Ik ken dat, zo'n droge strot.'

Hij gaf me het glas, we gingen zitten en ik wist niet wat ik moest zeggen, en ik voelde dat er een enorme bult op mijn hoofd ontstond waar Aad mij met de deur geslagen had.

`Het was meesterlijk, echt meesterlijk. Dit hoor je tegenwoordig nog maar zelden, en dat is jammer. Als er één tijd is waarin we behoefte hebben aan peper in onze volgevreten reten, dan is deze tijd dat wel. Al jouw collega's smeren onze bilspleten in met vaseline, jij strooit met peper. Kwistig met peper, daar hou ik van.'

Ik voelde me zeer ongemakkelijk en dronk in één teug mijn bier op.

`Dat Onze Fondsen, dat je bad, zou je dat nog een keer voor mij willen doen?'

Ik vouwde devoot mijn handen, sloot mijn ogen, en begon, blij dat ik eindelijk iets te zeggen had:

Onze fondsen, die in den min zijn; uw naam worde geheiligd. Uw rendement kome. Uw wil geschiedde, gelijk in den hemel, alzo op de beursvloer. Geef ons heden ons dagelijks geld. En vergeef ons onze schulden, maar wij vergeven niet onze schuldenaren. En leid ons in verzoeking, en verlos ons van het bankroet. Want U is het rendement, en het geld, en de begeerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

`Ja, dank je wel,' zei hij, alsof ik auditie had gedaan en snel plaats moest maken voor de volgende.

`Ik moet daar nog eens dieper over nadenken. Je hebt natuurlijk gelijk, het is niet voor niets dat de grondlegger van het kapitalisme ook Adam heette, Adam Smith, maar die naam zal je niets zeggen.'

`Sorry,' zei ik, `toch wel, ik heb zijn Wealth of Nations gelezen.'

Het klonk wat snobistisch, maar Aad was blij verrast.

`Bestaat dat in braille?'

`Ik heb het zelf laten brailleren. Het heeft mij geen cent gekost. Blindenbibliotheken zijn prachtige altruïstische instellingen.'

`Jaja,' zei hij. Ik hoorde dat hij aan iets heel anders dacht. Ik moest me zo maar eens omkleden -- ik had tijdens de voorstelling een oude spijkerbroek met gaten aan, net als Bob Dylan in de jaren zestig -- en dan moest ik maar eens naar huis gaan. Misschien zou Mathilde, mijn vrouw, nog op zijn, dan zouden we samen nog een glas wijn kunnen drinken.

`Zullen we nog ergens iets drinken?' vroeg hij.

Mijn chauffeur, die op dat moment de kleedkamer binnenkwam, zuchtte. Daar ging z'n verdiende nachtrust. Maar ik kon hem niet wegsturen, ik had hem nodig om thuis te komen.

`Mag het, Bob?' vroeg ik hem. Het mocht. Bob vond altijd alles na enig zuchten en morren goed. Maar zodra ik dronken begon te worden, sleepte hij mij altijd onverbiddelijk naar de auto, hoe gezellig het ook was, en hoe graag ik ook niet wilde. Het maakte niet uit met wie ik zat te praten, al zou het God zelf geweest zijn, als Bob mij dronken vond worden moesten we weg.

`Weet je wat je doet,' zei Aad, `neem straks maar een taxi op kosten van de partij naar huis, dan kan je chauffeur al gaan slapen.'

Bob wilde er niets van weten.

`Neenee, ik blijf, ik word betaald om Otto te rijden. Ik vind het leuk werk.'

Bob wilde altijd zo snel mogelijk naar huis, behalve als er interessante mensen waren om mee te praten. Ik moest zorgen dat hij niet meeging. Hij zou het gesprek domineren, hij zou Aad overstelpen met onzin, hij zou de hele avond, die erg interessant kon worden, naar zijn hand willen zetten door zichzelf zo op te blazen dat ik ineen zou schrompelen tot een hulpbehoevende kleine pias, die bestond bij de gratie van de grote Bob.

`Ik ben altijd erg in politiek geïnteresseerd geweest,' zei Bob. `Ik heb laatst Het Kapitool van Marx gelezen.'

`Het Kapitaal,' zei Aad.

`Nee, u vergist zich, Het Kapitaal is van Grisham.'

`Ga nou maar naar huis,' zei Aad, `dat staat vast wel ergens in je cao, dat je om twaalf uur thuis moet zijn.'

`Dat zou ik even voor u na moeten kijken, wilt u dat nu meteen weten?'

`Sodemieter op!' Aad haalde het donderregister uit de kast. `Weet je wat jij eens moet lezen? De tranen der Petunia's, van Toon Hermans!'

`Dat zal ik zeker doen.' Bob pakte zijn jas, en liep, smakkend op zijn kauwgum de deur uit.

`U vergist zich,' siste Aad. `Wat een idioot. Sorry, maar tegen dat soort mensen kan ik niet. Ik hoop niet dat ik de verhouding ernstig heb aangetast.'

Dat had hij zeker niet, hij had juist een geweldige entree gemaakt.

Ik trok mijn broek met gaten uit, terwijl Aad gewoon in de kleedkamer stond. Hier stond ik, in mijn onderbroek, voor misschien wel de toekomstige premier van het land. Het was een oude, versleten onderbroek. Van het soort dat Bob Dylan in de jaren zestig droeg.

Tien minuten later zaten wij tegenover elkaar aan een tafeltje in café Lunshof. Het was een holklinkend etablissement dat bevolkt werd door mannen met aftershaves. Vrouwen hoorde ik niet en ik rook ze al helemaal niet.

Hij zat hier graag, vertelde Aad, omdat je hier, terwijl je rustig achter een biertje zat, kon horen wat de mensen dachten. Het was goed om daar als partijleider naar te luisteren, en ook zo nu en dan eens in gesprek te treden met deze mensen. Je kon ze een consumptie aanbieden, en dan waren ze altijd bereid van alles en nog wat omtrent de toestand in Nederland te ventileren. Daar leerde je van, vond hij. Hij had hier veel gehoord dat hij nog niet wist. Zo was het hem hier ter ore gekomen dat de opvatting vrij algemeen was, dat Turken speciaal naar Nederland kwamen om in de wao te geraken. Hij moest er erg om lachen.

`Stel je nou eens voor,' zei hij, `een Turk wordt op een morgen wakker, terwijl de regen tussen de golfplaten door op zijn schamele legerstede drupt, en hij zegt tegen zijn vrouw, die druk in de weer is met emmers, om de wateroverlast enigszins te beperken: `Schat, ik heb opeens een geweldig plan. Weet je wat wij doen? Wij gaan naar Nederland.'

Zijn vrouw denkt dat hij in zijn slaap praat en schudt hem krachtig door elkaar.

`Goedemorgen,' roept ze. `Turk, wakker worden.'

`Ik ben wakker,' schreeuwt hij geërgerd, `we gaan naar Nederland!'

`Bedoel je dat land met die suffige tulpen, spruitjes, klompen en windmolens, dat land van die smakeloze kaas, bedoel je dat land? Zal ik de dokter halen?'

`Nee, luister, niet weggaan. Dat land bedoel ik, ja. Want weet jij wat ze daar hebben?'

`Ja, dat heb ik toch al gezegd: tulpen, spruitjes en...'

`en,' roept hij triomfantelijk, `de wao!'

De vrouw is met stomheid geslagen. Dat ze daar niet al veel eerder op gekomen zijn. Al die tijd hebben ze hier in erbarmelijke omstandigheden gewoond, geteisterd door verzengende hitte, zandstormen, striemende koude, sneeuwstormen, afgrijselijke ziektes waaraan ze twee kinderen hebben verloren en aardbevingen die steeds alles wat ze net met veel pijn en moeite hadden opgebouwd in twintig seconden weer met de grond gelijkmaakten, terwijl ze als vorsten op hun luie reet in een centraal verwarmde Vinexwoning in Nederland hadden kunnen zitten. O, wat zijn ze dom geweest. De wao. Het ei van Columbus!'

Aad lachte en sloeg met zijn vlakke hand op tafel.

`Jezus Christus, wat zijn de mensen hier dom. Maar het is wel erg vermakelijk. Het is maar te hopen dat er niemand op het idee komt om dit soort onderbuikgevoelens te gaan exploiteren.

Ik kan ze duizend keer uitleggen dat die Turken in de wao terecht zijn gekomen omdat ze werk moesten doen waaraan geen Nederlander zijn klauwen vuil wil maken, maar ze luisteren niet. Wat zij vinden is waar. Dat roepen ze ook altijd. De meest gehoorde kreet in dit café is: ``Dat is gewoon zo!'' '

Hij pauzeerde en nam een slok van zijn bier. Hij slurpte een beetje. Ik vond het erg amusant wat hij allemaal vertelde, maar ik begreep nog steeds niet waarom ik hier met hem zat. Hij had genoten van mijn voorstelling, maar in de manier waarop hij mij bij mijn arm had gepakt, en van het theater naar Lunshof had geleid, zat iets dwingends. Hij duwde me de hele weg, alsof ik niet hard genoeg liep.

`Otto,' zei Aad, terwijl hij de volle glazen op tafel zette, `het worden zware maanden. Ik ben nog maar net partijleider, maar ik weet nu al dat er veel mensen zijn die denken dat het niets zal worden, met mij.'

Hij hield abrupt zijn mond, verschoof zijn stoel, stond op, ging weer zitten en boog zich naar voren over het tafeltje.

`Ik moet hier op mijn woorden passen. Ik zag net al een verslaggever van Het Oor op 1 onze kant op kijken. Ik moet de komende tijd gaan bewijzen,' zijn toon was samenzweerderig, ik rook zijn adem, `dat de richting waarvan ik vind dat de partij uit moet de juiste is. Ik weet dat er een aantal mensen is dat door De Markt is aangeraakt. Die mensen, ik hoef geen namen te noemen, je leest kranten, dat heb ik vanavond gehoord, vinden dat ik een verkeerd soort politiek voorsta. Wat ik nu nodig heb in de partij, is steun. Als je eens wist wat ze achter mijn rug allemaal al aan het doen zijn. Ze zijn een campagneteam om me heen aan het verzamelen met mensen die gisteren het woord politiek nog niet kenden. Ik voel nu al vijandigheid bij een aantal van die lui. Soms lijkt het wel alsof ze al bezig zijn mijn graf te graven.'

Hij moest zijn stem verheffen, omdat achter ons een discussie over het faillissement van een grote energiemaatschappij was losgebarsten.

`Mijn vader is bakker,' zei hij, `en die kan er met zijn pet niet meer bij. Die moet tegenwoordig de merkwaardigste broden bakken. Vroeger bakte hij wit en bruin, knip en plaat, casino, en dan had je het gehad. Maar zo simpel is het niet meer. Gisteren was ik bij hem en hij vertelde dat iemand hem gevraagd had om een zeebonkje. Dat is een soort brood, een zeebonkje. En ik had moeten weten wat dat was, althans, hij was zeer teleurgesteld dat ik het niet wist. Ik weet het echt niet, ik was al blij dat ik multigranen de luxe kende. Laatst moest ik naar de bakker, voor een promotiefilmpje van de partij. Ik moest een halfje viergraantjes bestellen, voor de camera. Ik eet dat nooit, maar het was voor mijn imago, om te laten zien dat ik weet wat er te koop is. Ik kreeg het niet uit mijn mond, ik schaamde me dood. Het filmpje is mislukt, en daar word ik nu op afgerekend. Dat ik niet authentiek genoeg ``een halfje viergraantjes'' kan zeggen, dat schijnt heel erg te zijn. En daarom wordt het niets met mij, omdat ik de taal van het volk niet spreek, want dat is blijkbaar de taal van het volk, ``viergraantjes''. Binnenkort houdt mijn vader ermee op, dan gooit hij al dat molenbrood en pandabrood en waddenbrood en al die zonnepittentroep de deur uit, en dan gaat hij genieten van zijn welverdiende rust. Hij is verbitterd, en verzuurd, over de weg die het brood gegaan is.' Hij nam een slok en zuchtte diep. `Maar wat ik hiermee wil zeggen, is dat die academische blaaskaken, die arrogante ciabattaeters, dat die mij dus moeten gaan uitleggen wat de taal van het volk is. Ze hebben namelijk acht kiezersprofielen bedacht, en daar hebben ze modellen bij gemaakt, en in die modellen staan kreten. En ik moet die kreten uitdragen. Ik moet met die kreten een magneetfunctie uitoefenen op die kiezers die binnen die profielen vallen. Zo ver is het al gekomen met de partij. Ik voel me vaak net als mijn vader. Ik kan het brood wel bakken dat zij willen, maar ik vind het niet te vreten. Nu al niet, en ik moet nog vier maanden tot de verkiezingen, en daarna moet en zal ik premier worden. ``Wij verkopen jou,'' zeggen ze, ``wij leveren jou de tools, en jij maakt de vertaalslag naar de inhoud. Jij graast die profielvelden af.'' En er is helemaal niemand, niemand, ook de mensen van wie ik dacht dat ze beter zouden weten, die daarom kan lachen. En daarom Otto, en nu ben ik waar ik wil zijn, daarom wil ik jou in het campagneteam. Omdat jij een van de weinigen in dit land bent, die in staat zijn lucht in de dingen te blazen. Jij bezit het vermogen ons te laten lachen. En lachen schept ruimte. Ik weet dat jouw hart aan de linkerkant zit, ik heb je televisiecolumns gehoord, ik ken je ingezonden stukken in de bladen, ik weet dat jij in staat bent om samen met mij deze partij weer met zijn beide poten op de grond te zetten. Alsjeblieft, kijk niet zo bedenkelijk, zeg niet nee, help mij. Grijns niet zo bespottelijk. Deze partij is van papier geworden, nee, ze is een printer geworden die cv's uitspuwt, een springplank voor interessante banen in het bedrijfsleven. Ik haal nog een biertje, of zal ik gelijk maar een fles champagne bestellen?'

Waarom ik, waarom in godsnaam Otto Iking? Ik viel bijna van mijn stoel. Wat zou ik kunnen toevoegen aan een campagneteam? Ik wist niks, ik was niks, ik riep maar wat, elke avond riep ik maar wat, dat was iets heel anders dan je bezighouden met politiek.

`Ik denk,' zei hij, `dat jouw geluid gehoord moet worden. Jouw visie op de wereld, die zo ontdaan is van alle afleidende uiterlijkheden, jouw unieke visie, die heb ik nodig.'

Ik was verbijsterd. Ik probeerde redenen te verzinnen om nee te zeggen, maar voor ik die had kunnen formuleren had ik al ja gezegd. Dit aanbod kon ik gewoon niet weigeren. Hij haalde champagne. We dronken en praatten, en hoe meer we dronken hoe roerender we het met elkaar eens waren. Dit, en daar bedoelden we eigenlijk alles mee, kon zo niet langer. Onze cultuur brokkelde langzaam maar schier onafwendbaar af, dat diende een halt toegeroepen te worden. Daar kon en moest ik mijn steentje aan bijdragen. Wij stonden ergens voor, en de slapte, die al die anderen zo kenmerkten was ons vreemd. We lachten om hun leuzen:

`Fatsoen moet je doen!' Grammaticaal klopte er niets van. Waar moest het heen, als een politieke partij de taal al aan het verkrachten was.

`Zo is het, en niet anders!' Een borreltafelleus was dat, die men het beste met een geaffecteerde portstem kon uitspreken.

`Wij maken het verschil!' Het verschil tussen wat dan? Tussen niets en niets bestaat toch geen verschil? Er werden bitterballen gebracht, en Aad wist niet meer van ophouden. We verlieten als laatsten café Lunshof, ik gaf Aad mijn visitekaartje, en liet mij zeer gelukkig in een partijtaxi vallen.

Mijn hart klopte links, met een snelheid van 220 beats per minute, in het ritme van de tijd. Ik had ja gezegd, omdat ik het ontzettend met deze man eens was.

Mathilde was het helemaal niet met mij eens, zo merkte ik, toen ik om vier uur 's nachts thuiskwam. Ze was woedend. Ze wilde niet horen met wie ik waar geweest was, ze wilde alleen maar meteen naar bed. Ik moest maar op de logeerkamer gaan slapen, want ik was haar niet waard. Ze had een fles wijn opengetrokken, de mooie glazen opgewreven, blauwe kaas en toast klaargezet op tafel, kaarsen aangestoken en gewacht. Urenlang had ze gewacht, de blauwe kaas was gaan stinken, de kaarsen waren opgebrand, maar ik was er nog steeds niet. Ik was een lul. Een alcoholische klootzak die alleen maar aan zichzelf dacht, schreeuwde ze. Ze was een beetje dronken, ze had de fles in arren moede zelf maar leeggedronken.

Ik had natuurlijk moeten zeggen dat zij ook een beetje alcoholisch was, en dat zij ook alleen maar aan zichzelf dacht, omdat zij had verwacht dat ik, na het aansteken van de kaarsen, het opwrijven van de glazen, het klaarzetten van de blauwe kaas en het ontkurken der wijn vanzelf zou komen, maar ik zei niets. Altijd als zij mij verwijten maakte, zweeg ik. Ik had er geen antwoord op, ik vond het alleen maar erg dat zij de hele avond met die lieve kaarsen en die lieve kaas en die lekkere wijn op mij had zitten wachten.

Ze gooide kwaad de kaas in de verkeerde vuilnisbak, kaas hoorde in de biobak, rende naar boven en smeet de deur van onze slaapkamer dicht. Ze draaide hem zelfs op slot. Ik zat op de bank, mijn hoofd, dat steeds naar voren dreigde te vallen vanwege de partijchampagne, ondersteund door mijn handen, en ik bedacht me hoe onzegbaar veel ik van haar hield. Dat kwam niet door de champagne, dat ik dat dacht, dat was gewoon zo, zou men bij Lunshof zeggen. Het partijlied speelde in mineur door mijn hoofd. Het was oorspronkelijk gecomponeerd in een ritme om op te marcheren, het sleepte zich nu voort als een begrafenisblues. Ik werd voortgeduwd, door een man, die stampend met zijn houten been het ritme op de grond aangaf.

`Help mij,' riep hij, `Otto, help mij, ze zijn mijn graf aan het graven!'

Toen ik wakker werd, was ik voorover gezakt en oude blues schalde door de kamer. Mijn linkerarm lag te slapen op de afstandsbediening van de tv. Ik had in mijn slaap precies de goede knop ingedrukt. Mooie blues was het, die ik hoorde. Het lied ging over een oude man, die alles had verloren. Zijn huis, zijn vrouw, zijn geld, en hij wist niet meer hoe het verder moest. Hij wilde dood, zo snel mogelijk dood. En hij deed zijn best om dat met zoveel mogelijk whisky te bespoedigen. Dat was goed te horen. Jack Daniels was zijn held, zong hij, een held die zijn stem een rauwe rasp had gegeven. Ik moest ook maar eens een flesje van dat spul kopen. Niet dat ik dood wilde, integendeel, ik wilde graag leven, maar juist daarom moest ik Jack Daniels kopen, om de dood in het leven te proeven, om de dood in te drinken, en deze zanger nog beter te kunnen begrijpen. Ik moest maar eens gaan slapen, aan dit soort onzingedachten merkte ik dat het wel weer genoeg was, voor deze dag. Maar toch zou ik morgen eens kijken of ik zo'n flesje via internet kon bestellen. Ik durfde niet aan Mathilde te vragen of zij het voor mij wilde kopen, zeker nu niet, en de weg naar de slijter kende ik niet.

Ik stond op. Ik was zo stijf als een plank geworden en strompelde naar boven. Ik ging logeren, logeren in mijn eigen huis. Wat een feest, zonder weekendtas met pyjama, beer en tandenborstel, en dat tintelende gevoel, dat ik van vroeger kende als ik ergens anders ging slapen, wilde ook maar niet komen. Mijn arm tintelde omdat hij en ik net geslapen hadden.

Het bed was koud. Ik dacht Mathildes armen om me heen, werd langzaam warm en viel in slaap.